Strategic HRM 2025
Black Box Debate
In Strategic Human Resource Management (SHRM) staat centraal dat organisaties betere
organizational performance behalen wanneer zij een breed en ‘geavanceerd’ pakket aan HR practices
toepassen. Dit omvat o.a. recruitment & selection, training & development, performance
management, pay & benefits, participation en communication.
Volgens SHRM-theorie geldt: hoe meer HR practices, hoe beter de prestaties.
Toch is er lang onduidelijk gebleven hoe HRM precies leidt tot betere prestaties. De stappen tussen
HR practices en prestaties — en wat er in elke stap gebeurt — zijn niet goed zichtbaar. Dit wordt het
Black Box Debate genoemd.
Onderzoekers hebben daarom geprobeerd het mechanisme achter de HRM–performance relatie te
modelleren. Drie dominante theorieën vormen hierbij de kern:
1. Resource-Based View (RBV) (Barney, 1991)
De RBV stelt dat organisaties een competitive advantage kunnen opbouwen door middelen die:
Valuable
Rare
Imperfectly imitable
Non-substitutable
Organisaties beschikken o.a. over organizational resources, physical resources en human resources.
Boxall bouwt hierop voort en onderscheidt twee vormen van human resource advantage:
Human Capital Advantage: een sterke ‘voorraad’ van talent met kennis en vaardigheden die
aansluiten bij de strategie.
Human Process Advantage: moeilijk te kopiëren processen zoals intensieve samenwerking en
gedeelde routines.
Conclusie uit de RBV: HR practices verbeteren performance doordat ze beter human capital en betere
werkprocessen creëren.
2. AMO Framework (Appelbaum et al.)
Mensen presteren goed als ze Ability, Motivation, en Opportunity hebben.
Ability: werknemers kunnen goed presteren doordat ze over de juiste kennis en skills
beschikken. HR practices (zoals training) versterken dit.
Motivation: werknemers willen goed presteren door bijvoorbeeld rewards, carrièrekansen, of
recognition (gekoppeld aan Social Exchange Theory).
, Opportunity: werknemers krijgen de kans om goed te presteren, bijvoorbeeld via participatie
in besluitvorming of autonomie.
Conclusie uit AMO: HR practices verbeteren prestaties door Ability, Motivation en Opportunity te
verhogen.
3. HRM Process Model (Wright & Nishii)
Dit model benadrukt dat er een verschil is tussen:
1. Intended HR practices (wat topmanagement wil invoeren)
2. Actual HR practices (wat lijnmanagers daadwerkelijk doen)
3. Perceived HR practices (hoe werknemers de praktijken ervaren)
Er kunnen verschillen ontstaan door:
Lijnmanagers die onvoldoende tijd of vaardigheden hebben om HR-beleid uit te voeren.
Werknemers die HR practices anders interpreteren door eerdere ervaringen of
verwachtingen.
Conclusie uit dit model: De manier waarop HR practices geïmplementeerd en gepercipieerd worden
bepaalt hoe werknemers reageren, en daarmee hoe HRM organisatieprestaties beïnvloedt.
Black Box Debate
In Strategic Human Resource Management (SHRM) staat centraal dat organisaties betere
organizational performance behalen wanneer zij een breed en ‘geavanceerd’ pakket aan HR practices
toepassen. Dit omvat o.a. recruitment & selection, training & development, performance
management, pay & benefits, participation en communication.
Volgens SHRM-theorie geldt: hoe meer HR practices, hoe beter de prestaties.
Toch is er lang onduidelijk gebleven hoe HRM precies leidt tot betere prestaties. De stappen tussen
HR practices en prestaties — en wat er in elke stap gebeurt — zijn niet goed zichtbaar. Dit wordt het
Black Box Debate genoemd.
Onderzoekers hebben daarom geprobeerd het mechanisme achter de HRM–performance relatie te
modelleren. Drie dominante theorieën vormen hierbij de kern:
1. Resource-Based View (RBV) (Barney, 1991)
De RBV stelt dat organisaties een competitive advantage kunnen opbouwen door middelen die:
Valuable
Rare
Imperfectly imitable
Non-substitutable
Organisaties beschikken o.a. over organizational resources, physical resources en human resources.
Boxall bouwt hierop voort en onderscheidt twee vormen van human resource advantage:
Human Capital Advantage: een sterke ‘voorraad’ van talent met kennis en vaardigheden die
aansluiten bij de strategie.
Human Process Advantage: moeilijk te kopiëren processen zoals intensieve samenwerking en
gedeelde routines.
Conclusie uit de RBV: HR practices verbeteren performance doordat ze beter human capital en betere
werkprocessen creëren.
2. AMO Framework (Appelbaum et al.)
Mensen presteren goed als ze Ability, Motivation, en Opportunity hebben.
Ability: werknemers kunnen goed presteren doordat ze over de juiste kennis en skills
beschikken. HR practices (zoals training) versterken dit.
Motivation: werknemers willen goed presteren door bijvoorbeeld rewards, carrièrekansen, of
recognition (gekoppeld aan Social Exchange Theory).
, Opportunity: werknemers krijgen de kans om goed te presteren, bijvoorbeeld via participatie
in besluitvorming of autonomie.
Conclusie uit AMO: HR practices verbeteren prestaties door Ability, Motivation en Opportunity te
verhogen.
3. HRM Process Model (Wright & Nishii)
Dit model benadrukt dat er een verschil is tussen:
1. Intended HR practices (wat topmanagement wil invoeren)
2. Actual HR practices (wat lijnmanagers daadwerkelijk doen)
3. Perceived HR practices (hoe werknemers de praktijken ervaren)
Er kunnen verschillen ontstaan door:
Lijnmanagers die onvoldoende tijd of vaardigheden hebben om HR-beleid uit te voeren.
Werknemers die HR practices anders interpreteren door eerdere ervaringen of
verwachtingen.
Conclusie uit dit model: De manier waarop HR practices geïmplementeerd en gepercipieerd worden
bepaalt hoe werknemers reageren, en daarmee hoe HRM organisatieprestaties beïnvloedt.