Samenvatting Blok 1.3
Media en Ondernemerschap
, Samenvatting blok 1.3 Media
Beeldtaal
H1 p.11
Beeld= alle communicatieve middelen die niet primair tekst zijn, dmv een
tweedimensionaal medium tot ons komen en primair een communicatief-retorische
functie hebben.
Vormen= lijnen, vierkannten, driehoeken etc.
Beeldelementen: mensen, bomen, huizen
Beeld: totaal van een voorstelling
Horn 1999: visuele communicatie is de integratie van beelden en vormen en
woorden tot één communicatie-eenheid.
Information overload: veel middelen tegelijkertijd inzetten.
3 retorische scholen:
1. Zien – Gestalttheorie – verklaart de perceptie van visuele communicatie
2. Overtuigd worden – verklaart hoe visuele communicatie je overtuigt
3. Begrijpen – verklaart dat je de betekenis ervan begrijpt
GSR-analyse is een iteratief proces: heen en weer bewegen tussen de theorieën en
het een met het ander aanvullen. Eerst onder de indruk raken (visuele retorica) dan
afvragen hoe dat komt (semiothiek) en daarna realiseren hoe mooi de kleuren zijn
(gestalttheorie).
Beeldtaal
H2 p.18
Visuele geletterdheid (2 perspectieven) = beeld kunnen begrijpen, communiceren,
bekritiseren, produceren, decoderen, interpreteren, evalueren, lezen, herkennen en
onthouden.
1. Maker: vaardigheden of kennis van technieken toepassen in dienst van het
overbrengen van een boodschap maakt interpretatie mogelijk.
2. Gebruiker: kennis over de context van beeld
Gestalt = totaalbeeld waarbij het geheel meer is dan de samenstellende delen –
begripsproces en verklaring van waarom.
Semiothiek = kijken naar beeld in termen van tekens en tekensystemen:
1. Iconische tekens - gelijkenisrelatie met waar ze naar verwijzen
2. Indexicale tekens – verwijzen naar natuurlijk verband
3. Symbolische tekens - conventionele overeenkomsten
Visuele retorica = vraag naar overtuigingskracht communicatiemiddelen met
welke middelen probeert de maker van het beeld te overtuigen?
Rode draad beeldanalyse: gestalt – semiothiek - visuele retorica.
Media en Ondernemerschap
, Samenvatting blok 1.3 Media
Beeldtaal
H1 p.11
Beeld= alle communicatieve middelen die niet primair tekst zijn, dmv een
tweedimensionaal medium tot ons komen en primair een communicatief-retorische
functie hebben.
Vormen= lijnen, vierkannten, driehoeken etc.
Beeldelementen: mensen, bomen, huizen
Beeld: totaal van een voorstelling
Horn 1999: visuele communicatie is de integratie van beelden en vormen en
woorden tot één communicatie-eenheid.
Information overload: veel middelen tegelijkertijd inzetten.
3 retorische scholen:
1. Zien – Gestalttheorie – verklaart de perceptie van visuele communicatie
2. Overtuigd worden – verklaart hoe visuele communicatie je overtuigt
3. Begrijpen – verklaart dat je de betekenis ervan begrijpt
GSR-analyse is een iteratief proces: heen en weer bewegen tussen de theorieën en
het een met het ander aanvullen. Eerst onder de indruk raken (visuele retorica) dan
afvragen hoe dat komt (semiothiek) en daarna realiseren hoe mooi de kleuren zijn
(gestalttheorie).
Beeldtaal
H2 p.18
Visuele geletterdheid (2 perspectieven) = beeld kunnen begrijpen, communiceren,
bekritiseren, produceren, decoderen, interpreteren, evalueren, lezen, herkennen en
onthouden.
1. Maker: vaardigheden of kennis van technieken toepassen in dienst van het
overbrengen van een boodschap maakt interpretatie mogelijk.
2. Gebruiker: kennis over de context van beeld
Gestalt = totaalbeeld waarbij het geheel meer is dan de samenstellende delen –
begripsproces en verklaring van waarom.
Semiothiek = kijken naar beeld in termen van tekens en tekensystemen:
1. Iconische tekens - gelijkenisrelatie met waar ze naar verwijzen
2. Indexicale tekens – verwijzen naar natuurlijk verband
3. Symbolische tekens - conventionele overeenkomsten
Visuele retorica = vraag naar overtuigingskracht communicatiemiddelen met
welke middelen probeert de maker van het beeld te overtuigen?
Rode draad beeldanalyse: gestalt – semiothiek - visuele retorica.