Motorisch leren
HC 1 Inleiding motorisch leren
Definitie en basisprincipes van motorisch leren
Motorisch leren (Schmidt, 2005) is een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het
gedragspotentiaal als gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving. Theoretische modellen van
bewegingssturing beschrijven hoe het zenuwstelsel bewegingen organiseert. Motorisch leren richt
zich op het proces van veranderingen in bewegingscapaciteit door oefening. Leermethoden zijn
praktische toepassingen. Er zijn verschillende soorten leermethoden.
Acquisitie is het verwerven van nieuwe vaardigheden. Retentie is het leren van deze vaardigheden.
Consolidatie is verwerken/opslaan van deze vaardigheden. Dit gebeurt vaak door offline processen.
Dit zijn veranderingen in de hersenen na de oefening die ervoor zorgen dat de verworven
vaardigheid wordt opgenomen in het lange termijn geheugen. Een idee rond offline leren is insight,
het verwerven van nieuwe informatie rond de te leren taak.
Modellen en theorieën over motorisch leerproces
Het drie-fasen-model van Fitts & Posner (1967) beschrijft leren als een continue proces met graduele
veranderingen in de manier informatie verwerkt wordt als het leren vordert. Het bestaat uit een
cognitieve fase (regels en verbale instructies voor de basis van beweging), een associatieve fase
(verfijndere en consistentere bewegingspatronen) en een autonome fase (de vaardigheid kan
uitgevoerd worden met minimale mentale inspanning en weinig fouten). Voor trainers is het
belangrijk om in de vroege fase veel feedback en herhaling te geven en in de latere fase meer
variatie, zelfreflectie en contextverandering te geven. Dit stimuleert transfer. Wel is er kritiek op dit
model, omdat leren niet strikt in deze fasen loopt en negeert contextuele en niet-lineaire
pedagogiek.
Voor motorisch leren kunnen verschillende leermethoden worden ingezet, namelijk storage strength
en retrieval strength. Storage strength is het vermogen van een methode om een bepaald gedrag op
te wekken. Dit verhoogt met oefening en herhaling. Retrieval strength is het vermogen om
daadwerkelijk een leereffect in gang te zetten. Dit kan tijdelijk hoog zijn door recente oefening, maar
zakt snel zonder consolidatie. Om de winst van leren te meten zijn er twee soorten testen. De
retentietest meet in welke mate een vaardigheid behouden blijft na een tijd en de transfertest meet
of de vaardigheid kan worden toegepast in nieuwe contexten (generaliseerbaarheid).
Leermethoden, effectiviteit en beïnvloedende factoren
Factoren die de effectiviteit van verschillende leermethoden bepalen zijn bijvoorbeeld de frequentie
en intensiteit, variabiliteit, feedback en begeleiding, motivatie en aandacht en complexiteit en
moeilijkheid. Bij een specific transfer (near transfer) lijken oefeningen sterk op de doeltaak wat leidt
tot snelle, taak gebonden prestatieverbetering. Bij een general transfer (far transfer) lijken
oefeningen weinig op de doeltaak en is gericht op onderliggende principes of coördinatiepatronen.
Expertiseontwikkeling en deliberate practice
Practice zijn georganiseerde activiteiten gericht op het ontwikkelen van vaardigheden en het
verbeteren van prestaties. Deliberate practice (Ericsson) is een doelgerichte, gestructureerde
oefening met onmiddellijke feedback, ontworpen om specifieke aspecten van prestatie te
verbeteren. Voorwaarden voor het ontstaan van expertise zijn, uren maken, Gericht oefenen door
een doel, aandacht voor feedback, focus van aandacht en specifiek oefenen en vroege specialisatie
(early specialisation): vroeg focussen op één sport
,Play is het doen van activiteiten voor plezier, die vaak helpen bij het ontwikkelen van vaardigheden.
Deliberate play (cote, 1999) zijn speelse sportactiviteiten die plezier en directe voldoening geven,
maar de ontwikkeling van vaardigheden stimuleren. Het doel hierbij is om zoveel mogelijk plezier te
hebben. Dit is vaak gerelateerd aan early sampling, vroege diversificatie.
Aspect Beschrijving Voordelen Nadelen
Practice Doelgerichte, Snelle verbetering, Kans op overbelasting of
gestructureerde oefening. expertiseopbouw. demotivatie.
Play Vrij, intrinsiek gemotiveerd Bevordert creativiteit, Minder gericht op
spel. plezier, motivatie. specifieke
vaardigheden.
Early Vroege focus op één sport. Snelle prestaties, vroege Verhoogd risico op
Specialisation expertise. blessures, burn-out,
drop-out.
Early Sampling Brede motorische Betere transfer, minder Later piekmoment,
ontwikkeling door blessurerisico. tragere specialisatie.
meerdere sporten.
Door middel van longtitudinale studies, retrospectieve analyses, neuro-imaging en observatiestudies
kan er onderzoek gedaan worden naar de optimale ontwikkelingsroute richting expertise.
Ontwikkelingstrajecten en neurobiologische processen
Het developmental model of sport participation (DMSP) bestaat uit 3 routes: (1) recreatiesporten
door diversificatie (early sampling / deliberate play); (2) topsport door diversificatie (early
sampling/deliberate play); (3) topsport door vroege specialisatie (early specialization/deliberate
practice). Dit model heeft een breed motorisch fundament, latere expertise zijn beter houdbaar. Het
jeugdsportbeleid moet daarom plezier, variatie en lange termijn ontwikkeling stimuleren en niet
vroege selectie.
Neurobiologische veranderingen
Online processen (tijdens oefening) zorgt voor het veranderen in synaptische efficiëntie en cerebrale
activiteit tijdens het oefenen. Het versterkt sensomotorische koppelingen. Offline processen (tussen
sessies) zorgt ervoor dat het motorisch leerproces doorgaat terwijl je niet actief oefent (consolidatie
van motorisch geheugen). Dit gebeurt vaak in rust of slaap. Tijdens slaap is er een herorganisatie van
hersennetwerken en heractivatie van neurale patronen.
Mogelijke confounders naar het onderzoek naar neuroplasticiteit en leerprocessen zijn motivatie en
aandacht (beïnvloeden leerprestatie en hersenactiviteit), vermoeidheid of stress (kan neurale
activatiepatronen verstoren), oefencontext en feedbackfrequentie (variëren sterk tussen studies) en
meetmethoden (fMRI, EEG, TMS meten verschillende aspecten).
HC 2 Dynamische systeemtheorie en niet-lineaire pedagogiek
Dynamische systeemtheorie (DST) en coördinatie
Coördinatie
, "Interactie van componenten van het systeem onder invloed van constraints bepaald de
gedragstoestand van het systeem
Systeem: de beweger
Gedragstoestand: kwaliteit van gedrag
Componenten: samenwerkende onderdelen van een systeem die sturen en elkaar
beïnvloeden
Constraints: variabelen die het beweeggedrag van het systeem beperken en mogelijk maken
Dynamische systeemtheorie
De Dynamische systeemtheorie (DST) beschouwt beweging niet als iets dat volledig centraal
gestuurd wordt door het brein, maar als het resultaat van zelforganisatie binnen een complex
systeem. De kenmerken van een dynamisch systeem zijn:
Open systeem: interactie met de omgeving
Interacterende vrijheidsgraden: zorgen voor verschillende gedragingen in het systeem
Niet-lineair gedrag: ontstaan door fasetransities door kritische fluctuaties, waarbij een kleine
verandering een groot effect kan hebben
Gedragstoestand komt door zelforganisatie
o Stabiel: gedrag verandert weinig
o Niet-stabiel: gedrag is gevoelig voor verstoringen
Begrip Betekenis
Zelforganisatie Het spontaan ontstaan van orde in een systeem zonder
centrale aansturing.
Attractor Een stabiel bewegingspatroon waar het systeem naartoe
neigt.
Ordeparameter (order parameter) Variabele die de toestand van het systeem samenvat.
Controleparameter (control Externe variabele die de toestand van het systeem kan
parameter) veranderen.
Perturbatie Verstoring of prikkel die het systeem uit evenwicht brengt.
Fasetransitie Plotse verandering van het ene coördinatiepatroon naar een
ander bij overschrijden van een kritische waarde van de
controleparameter.
Bifurcatie Punt waarop het systeem meerdere mogelijke oplossingen
(patronen) kan aannemen.
Shifts Kleine, graduele verschuivingen in attractorlocatie of -
sterkte.
Kritische fluctuaties Leidt tot een andere gedragstoestand.
Meta-stabiliteit Tijdelijk balanceren tussen meerdere patronen.
Multistabiliteit Meerdere patronen bestaan naast elkaar.
Degeneracy Verschillende structuren kunnen hetzelfde resultaat
opleveren.
Co-adaptatie Aanpassing van gedrag in relatie tot de omgeving
HC 1 Inleiding motorisch leren
Definitie en basisprincipes van motorisch leren
Motorisch leren (Schmidt, 2005) is een proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het
gedragspotentiaal als gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving. Theoretische modellen van
bewegingssturing beschrijven hoe het zenuwstelsel bewegingen organiseert. Motorisch leren richt
zich op het proces van veranderingen in bewegingscapaciteit door oefening. Leermethoden zijn
praktische toepassingen. Er zijn verschillende soorten leermethoden.
Acquisitie is het verwerven van nieuwe vaardigheden. Retentie is het leren van deze vaardigheden.
Consolidatie is verwerken/opslaan van deze vaardigheden. Dit gebeurt vaak door offline processen.
Dit zijn veranderingen in de hersenen na de oefening die ervoor zorgen dat de verworven
vaardigheid wordt opgenomen in het lange termijn geheugen. Een idee rond offline leren is insight,
het verwerven van nieuwe informatie rond de te leren taak.
Modellen en theorieën over motorisch leerproces
Het drie-fasen-model van Fitts & Posner (1967) beschrijft leren als een continue proces met graduele
veranderingen in de manier informatie verwerkt wordt als het leren vordert. Het bestaat uit een
cognitieve fase (regels en verbale instructies voor de basis van beweging), een associatieve fase
(verfijndere en consistentere bewegingspatronen) en een autonome fase (de vaardigheid kan
uitgevoerd worden met minimale mentale inspanning en weinig fouten). Voor trainers is het
belangrijk om in de vroege fase veel feedback en herhaling te geven en in de latere fase meer
variatie, zelfreflectie en contextverandering te geven. Dit stimuleert transfer. Wel is er kritiek op dit
model, omdat leren niet strikt in deze fasen loopt en negeert contextuele en niet-lineaire
pedagogiek.
Voor motorisch leren kunnen verschillende leermethoden worden ingezet, namelijk storage strength
en retrieval strength. Storage strength is het vermogen van een methode om een bepaald gedrag op
te wekken. Dit verhoogt met oefening en herhaling. Retrieval strength is het vermogen om
daadwerkelijk een leereffect in gang te zetten. Dit kan tijdelijk hoog zijn door recente oefening, maar
zakt snel zonder consolidatie. Om de winst van leren te meten zijn er twee soorten testen. De
retentietest meet in welke mate een vaardigheid behouden blijft na een tijd en de transfertest meet
of de vaardigheid kan worden toegepast in nieuwe contexten (generaliseerbaarheid).
Leermethoden, effectiviteit en beïnvloedende factoren
Factoren die de effectiviteit van verschillende leermethoden bepalen zijn bijvoorbeeld de frequentie
en intensiteit, variabiliteit, feedback en begeleiding, motivatie en aandacht en complexiteit en
moeilijkheid. Bij een specific transfer (near transfer) lijken oefeningen sterk op de doeltaak wat leidt
tot snelle, taak gebonden prestatieverbetering. Bij een general transfer (far transfer) lijken
oefeningen weinig op de doeltaak en is gericht op onderliggende principes of coördinatiepatronen.
Expertiseontwikkeling en deliberate practice
Practice zijn georganiseerde activiteiten gericht op het ontwikkelen van vaardigheden en het
verbeteren van prestaties. Deliberate practice (Ericsson) is een doelgerichte, gestructureerde
oefening met onmiddellijke feedback, ontworpen om specifieke aspecten van prestatie te
verbeteren. Voorwaarden voor het ontstaan van expertise zijn, uren maken, Gericht oefenen door
een doel, aandacht voor feedback, focus van aandacht en specifiek oefenen en vroege specialisatie
(early specialisation): vroeg focussen op één sport
,Play is het doen van activiteiten voor plezier, die vaak helpen bij het ontwikkelen van vaardigheden.
Deliberate play (cote, 1999) zijn speelse sportactiviteiten die plezier en directe voldoening geven,
maar de ontwikkeling van vaardigheden stimuleren. Het doel hierbij is om zoveel mogelijk plezier te
hebben. Dit is vaak gerelateerd aan early sampling, vroege diversificatie.
Aspect Beschrijving Voordelen Nadelen
Practice Doelgerichte, Snelle verbetering, Kans op overbelasting of
gestructureerde oefening. expertiseopbouw. demotivatie.
Play Vrij, intrinsiek gemotiveerd Bevordert creativiteit, Minder gericht op
spel. plezier, motivatie. specifieke
vaardigheden.
Early Vroege focus op één sport. Snelle prestaties, vroege Verhoogd risico op
Specialisation expertise. blessures, burn-out,
drop-out.
Early Sampling Brede motorische Betere transfer, minder Later piekmoment,
ontwikkeling door blessurerisico. tragere specialisatie.
meerdere sporten.
Door middel van longtitudinale studies, retrospectieve analyses, neuro-imaging en observatiestudies
kan er onderzoek gedaan worden naar de optimale ontwikkelingsroute richting expertise.
Ontwikkelingstrajecten en neurobiologische processen
Het developmental model of sport participation (DMSP) bestaat uit 3 routes: (1) recreatiesporten
door diversificatie (early sampling / deliberate play); (2) topsport door diversificatie (early
sampling/deliberate play); (3) topsport door vroege specialisatie (early specialization/deliberate
practice). Dit model heeft een breed motorisch fundament, latere expertise zijn beter houdbaar. Het
jeugdsportbeleid moet daarom plezier, variatie en lange termijn ontwikkeling stimuleren en niet
vroege selectie.
Neurobiologische veranderingen
Online processen (tijdens oefening) zorgt voor het veranderen in synaptische efficiëntie en cerebrale
activiteit tijdens het oefenen. Het versterkt sensomotorische koppelingen. Offline processen (tussen
sessies) zorgt ervoor dat het motorisch leerproces doorgaat terwijl je niet actief oefent (consolidatie
van motorisch geheugen). Dit gebeurt vaak in rust of slaap. Tijdens slaap is er een herorganisatie van
hersennetwerken en heractivatie van neurale patronen.
Mogelijke confounders naar het onderzoek naar neuroplasticiteit en leerprocessen zijn motivatie en
aandacht (beïnvloeden leerprestatie en hersenactiviteit), vermoeidheid of stress (kan neurale
activatiepatronen verstoren), oefencontext en feedbackfrequentie (variëren sterk tussen studies) en
meetmethoden (fMRI, EEG, TMS meten verschillende aspecten).
HC 2 Dynamische systeemtheorie en niet-lineaire pedagogiek
Dynamische systeemtheorie (DST) en coördinatie
Coördinatie
, "Interactie van componenten van het systeem onder invloed van constraints bepaald de
gedragstoestand van het systeem
Systeem: de beweger
Gedragstoestand: kwaliteit van gedrag
Componenten: samenwerkende onderdelen van een systeem die sturen en elkaar
beïnvloeden
Constraints: variabelen die het beweeggedrag van het systeem beperken en mogelijk maken
Dynamische systeemtheorie
De Dynamische systeemtheorie (DST) beschouwt beweging niet als iets dat volledig centraal
gestuurd wordt door het brein, maar als het resultaat van zelforganisatie binnen een complex
systeem. De kenmerken van een dynamisch systeem zijn:
Open systeem: interactie met de omgeving
Interacterende vrijheidsgraden: zorgen voor verschillende gedragingen in het systeem
Niet-lineair gedrag: ontstaan door fasetransities door kritische fluctuaties, waarbij een kleine
verandering een groot effect kan hebben
Gedragstoestand komt door zelforganisatie
o Stabiel: gedrag verandert weinig
o Niet-stabiel: gedrag is gevoelig voor verstoringen
Begrip Betekenis
Zelforganisatie Het spontaan ontstaan van orde in een systeem zonder
centrale aansturing.
Attractor Een stabiel bewegingspatroon waar het systeem naartoe
neigt.
Ordeparameter (order parameter) Variabele die de toestand van het systeem samenvat.
Controleparameter (control Externe variabele die de toestand van het systeem kan
parameter) veranderen.
Perturbatie Verstoring of prikkel die het systeem uit evenwicht brengt.
Fasetransitie Plotse verandering van het ene coördinatiepatroon naar een
ander bij overschrijden van een kritische waarde van de
controleparameter.
Bifurcatie Punt waarop het systeem meerdere mogelijke oplossingen
(patronen) kan aannemen.
Shifts Kleine, graduele verschuivingen in attractorlocatie of -
sterkte.
Kritische fluctuaties Leidt tot een andere gedragstoestand.
Meta-stabiliteit Tijdelijk balanceren tussen meerdere patronen.
Multistabiliteit Meerdere patronen bestaan naast elkaar.
Degeneracy Verschillende structuren kunnen hetzelfde resultaat
opleveren.
Co-adaptatie Aanpassing van gedrag in relatie tot de omgeving