Theoretische kwesties
H1: Introducti e
1.1 De motor-actie controverse
Deze controverse gaat over hoe gecoördineerde bewegingen (slaan tennisbal, oppakken kopje, etc.)
tot stand komen
Twee dominante zienswijzen:
- Motortheorie:
o Lichaam is een stom en passief instrument
o Hoewel sommige bewegingen kunnen verklaard worden in termen van de mechanica
(zoals reflexen), veronderstellen zij dat het ontstaan van slim en adaptief gedrag het
resultaat is van een intelligent orgaan, het brein, dat het lichaam aanstuurt.
o Functionele bewegingen zijn het resultaat van motorprogramma’s die in het brein
huizen en niet zo intelligente lichaam instrueert wat te doen.
o Verklaring van gedrag moet gezocht worden in het functioneren van het brein.
o Hersenen werken volgens sense-model-plan-action op basis van input van
sensoren construeren mensen eerst een representatie van de wereld die zij
vervolgens waarnemen. Die representatie wordt daarna gebruikt om een actieplan te
maken, en dit plan wordt vervolgens vertaald in een motorprogramma dat het
lichaam aanstuurt (hamburgermodel).
o Motortheorie vandaag de dag nog steeds dominante kader
o Pflüger toonde aan dat hersenen bij kikkers niet gelijk stond als het intelligente
orgaan, zonder hersenen werden bepaalde acties nog uitgevoerd. Dit heet echter
niet geresulteerd in het verwerpen van de motortheorie.
Gibsons waarnemingstheorie
- Mensen vormen geen representatie van de omgeving (motortheorie), maar zij nemen de
omgeving zelf waar
- Benadrukking intieme relatie tussen waarnemen en bewegen
o Bewegingen van dieren, mensen incluis, worden niet gestuurd door het brein maar
door informatie die aanwezig is in de omgeving
o VB: relatie tussen optic flow en voortbeweging als je door de omgeving beweegt,
ontstaat een optisch stroomveld dat een schat aan informatie bevat over je
beweging in die omgeving. Dieren gebruiken deze informatie om vervolgens hun
beweging te sturen
- Door te bewegen ontstaat een optisch stroomveld en dat stroomveld bepaalt weer de
beweging. Volgens Gibson resulteert deze wederkerige beïnvloeding in gecoördineerde,
functionele bewegingen
- Actietheorie:
o Gibsons waarnemingstheorie verder ontwikkeld
o Functioneel gedrag komt voort uit een wederkerige beïnvloeding van een
zenuwstelsel, een spier-skeletsysteem en een omgeving.
o Gecoördineerde bewegingspatronen ontstaan niet doordat het brein het lichaam
aanstuurt, maar zijn het resultaat van een wederzijdse beïnvloeding van
verschillende systemen, waarbij geen enkel systeem de baas is
,Actietheorie in tegenstelling tot motortheorie
Actietheorie stelt dat we in de studie van gedrag onze aandacht niet uitsluitend of voornamelijk
moeten richten op het brein; om bewegen te begrijpen moeten we de interactie tussen verschillende
subsystemen bestuderen waaruit het gedrag ontstaat
H2: De mechanisering van de natuur
2.1 Aristoteles
Aristoteles
- Studeerde bij Plato
- Denkbeelden stonden vaak haaks op die van Plato
- Ontwikkelde alomvattend wereldbeeld
Plato in een notendop
- ‘Er bestaat geen verandering en onze waarneming is bedrieglijk’
- De wereld is zoals wij hem waarnemen, vol met verandering en beweging, slechts een
imperfecte schaduw van een eeuwige onveranderlijke realiteit. Deze realiteit bestaat uit
ideeën die niet zintuigelijk waarneembaar zijn, maar zich uitsluitend laten denken
- Realiteit vs. verschijning: waargenomen wereld is een imperfecte schaduw van een eeuwige,
onveranderlijke realiteit
- Grotmetafoor: als je met je rug naar de opening van een grot zit is de wereld buiten de grot
niet waarneembaar, alleen de schaduwen binnen in de grot zijn waarneembaar
waargenomen wereld verhoudt zich tot de realiteit, wereld van ideeën
- Waarneming van cirkels: enige cirkel die exact rond is, is de cirkel van denken. De
waarneembare cirkels in de buitenwereld zijn hier slechts onvolmaakte afspiegelingen van
- Volgens Plato: willen we kennis vergaren dan moeten we ons ook niet richten op de
imperfecte waarneembare verschijnselen, maar op de wereld van de ideeën die eeuwig
onveranderlijk is
Filosofie van Aristoteles
- Empirische wetenschap: willen we kennis vergaren, dan moeten we volgens hem de natuur
zo nauwgezet mogelijk bestuderen met behulp van onze zintuigen
- Veranderingen die hij in de natuur waarnam zijn geen illusies (zoals Plato), maar bestaan
echt. De wereld is in beweging.
- Verandering is echt en overal en tegelijkertijd aanwezig
- Maakte onderscheid tussen Potentieel Zijn en Actueel Zijn
o Een blok marker is in potentie een beeld en een eikel in potentie een eik. Verandering
kan vanuit dit onderscheid begrepen worden als het overgaan van de ene vorm van
zijn naar de andere. Zo wordt de potentie uiteindelijk actueel
o 4 vormen waarop de overgang van Potentieel Zijn naar Actueel zijn kan plaatsvinden:
1. Het ontstaan en vergaan van objecten (appel groeit en rot)
2. Het veranderen van hoedanigheid (rups verandert in een vlinder)
3. Het veranderen van hoeveelheid (vermeerderen van zaad)
4. Het veranderen van plaats (appel valt van boom op de grond)
- ‘Leer van de 4 oorzaken’ : om de natuur en de veranderingen daarin te duiden. Om iets
volledig te begrijpen moeten we alle 4 oorzaken in beschouw nemen
1. Materie oorzaak: verwijst naar materie waar iets van gemaakt is (tafel
hout, beeld marmer)
2. Formele oorzaak: verwijst naar de essentie van iets, naar wat iets maakt
tot wat het is
, 3. Werkoorzaak: mechanische oorzaak die we in het moderne denken
erkennen (brekend glas hamer die erop viel, stoel timmerman die
hem gemaakt heeft)
4. Doeloorzaak: verwijst naar het doel van een object of gebeurtenis
- Heel de natuur kent een intrinsieke doelgerichtheid
- Niets gebeurt zomaar, alle verandering en beweging gebeurt omwille van iets
- Intrinsieke doelgerichtheid ligt besloten in de levenloze natuur
o Verklaring voor vallen van objecten: Aristoteles beweerde dat er 4 aardse elementen
zijn met hun natuurlijke plaats: onderaan aarde, daarboven water, dan lucht en dan
vuur. Als je iets uit zijn natuurlijke plaats haalt, dan zal het weer terug willen steen
optillen uit natuurlijke plaats, vervolgens loslaten, intrinsieke doelgerichtheid zorgt
ervoor dat hij terugkeert naar natuurlijke plaats
- Al het zijnde in de levende en de levenloze natuur moest wel een intrinsieke doelgerichtheid
dragen, omdat anders de regelmatigheden in de natuur niet begrepen kunnen worden
- Maakte veel gebruik van teleologische verklaringen
Teleologische verklaring: het bestaan van een object of gebeurtenis wordt verklaard door iets van in
de toekomst ligt
Mechanistische verklaring: het bestaan van een object of gebeurtenis wordt verklaard door iets wat
er in de tijd aan vooraf gaat
Aristoteles’ doeloorzaak en teleologische verklaringen moeten het ontgelden tijdens de
mechanisering van het wereldbeeld
2.2 De mechanisering van het wereldbeeld
Mechanisering filosofen:
- Copernicus
- Keples
- Galilei
- Newton
Copernicus
- Bedacht dat de aarde niet het middelpunt is van het heelal: de aarde draait om de zon en om
zijn eigen as heen
- Ptolemaeus: probeerde modellen te maken waarmee hij positie van planeten kon
voorspellen. Hij ging hierbij uit van 3 assumpties: aarde is het middelpunt van het heelal en
staat stil; planeten draaien om de aarde heen in cirkels; en zij draaien met een constante
snelheid. Om zijn assumpties te blijven vasthouden moest hij om de positie van de planeten
te voorspellen overgaan op het introduceren van epicycli, hulpcirkels.
- Copernicus: zon staat in het middelpunt van het heelal en de aarde draait om de zon en om
zijn eigen as
o Moest ook epicycli gebruiken voor voorspellen positie van planeten
- Problemen:
o Geen accurate beschrijving van planeetbanen
o Afwezigheid vreselijke wind we voelen de aarde niet bewegen
o Vallende objecten als Copernicus gelijk had, zouden objecten, als de aarde draait,
niet loodrecht naar beneden vallen omdat de aarde dan al een stukje gedraaid zou
zijn
H1: Introducti e
1.1 De motor-actie controverse
Deze controverse gaat over hoe gecoördineerde bewegingen (slaan tennisbal, oppakken kopje, etc.)
tot stand komen
Twee dominante zienswijzen:
- Motortheorie:
o Lichaam is een stom en passief instrument
o Hoewel sommige bewegingen kunnen verklaard worden in termen van de mechanica
(zoals reflexen), veronderstellen zij dat het ontstaan van slim en adaptief gedrag het
resultaat is van een intelligent orgaan, het brein, dat het lichaam aanstuurt.
o Functionele bewegingen zijn het resultaat van motorprogramma’s die in het brein
huizen en niet zo intelligente lichaam instrueert wat te doen.
o Verklaring van gedrag moet gezocht worden in het functioneren van het brein.
o Hersenen werken volgens sense-model-plan-action op basis van input van
sensoren construeren mensen eerst een representatie van de wereld die zij
vervolgens waarnemen. Die representatie wordt daarna gebruikt om een actieplan te
maken, en dit plan wordt vervolgens vertaald in een motorprogramma dat het
lichaam aanstuurt (hamburgermodel).
o Motortheorie vandaag de dag nog steeds dominante kader
o Pflüger toonde aan dat hersenen bij kikkers niet gelijk stond als het intelligente
orgaan, zonder hersenen werden bepaalde acties nog uitgevoerd. Dit heet echter
niet geresulteerd in het verwerpen van de motortheorie.
Gibsons waarnemingstheorie
- Mensen vormen geen representatie van de omgeving (motortheorie), maar zij nemen de
omgeving zelf waar
- Benadrukking intieme relatie tussen waarnemen en bewegen
o Bewegingen van dieren, mensen incluis, worden niet gestuurd door het brein maar
door informatie die aanwezig is in de omgeving
o VB: relatie tussen optic flow en voortbeweging als je door de omgeving beweegt,
ontstaat een optisch stroomveld dat een schat aan informatie bevat over je
beweging in die omgeving. Dieren gebruiken deze informatie om vervolgens hun
beweging te sturen
- Door te bewegen ontstaat een optisch stroomveld en dat stroomveld bepaalt weer de
beweging. Volgens Gibson resulteert deze wederkerige beïnvloeding in gecoördineerde,
functionele bewegingen
- Actietheorie:
o Gibsons waarnemingstheorie verder ontwikkeld
o Functioneel gedrag komt voort uit een wederkerige beïnvloeding van een
zenuwstelsel, een spier-skeletsysteem en een omgeving.
o Gecoördineerde bewegingspatronen ontstaan niet doordat het brein het lichaam
aanstuurt, maar zijn het resultaat van een wederzijdse beïnvloeding van
verschillende systemen, waarbij geen enkel systeem de baas is
,Actietheorie in tegenstelling tot motortheorie
Actietheorie stelt dat we in de studie van gedrag onze aandacht niet uitsluitend of voornamelijk
moeten richten op het brein; om bewegen te begrijpen moeten we de interactie tussen verschillende
subsystemen bestuderen waaruit het gedrag ontstaat
H2: De mechanisering van de natuur
2.1 Aristoteles
Aristoteles
- Studeerde bij Plato
- Denkbeelden stonden vaak haaks op die van Plato
- Ontwikkelde alomvattend wereldbeeld
Plato in een notendop
- ‘Er bestaat geen verandering en onze waarneming is bedrieglijk’
- De wereld is zoals wij hem waarnemen, vol met verandering en beweging, slechts een
imperfecte schaduw van een eeuwige onveranderlijke realiteit. Deze realiteit bestaat uit
ideeën die niet zintuigelijk waarneembaar zijn, maar zich uitsluitend laten denken
- Realiteit vs. verschijning: waargenomen wereld is een imperfecte schaduw van een eeuwige,
onveranderlijke realiteit
- Grotmetafoor: als je met je rug naar de opening van een grot zit is de wereld buiten de grot
niet waarneembaar, alleen de schaduwen binnen in de grot zijn waarneembaar
waargenomen wereld verhoudt zich tot de realiteit, wereld van ideeën
- Waarneming van cirkels: enige cirkel die exact rond is, is de cirkel van denken. De
waarneembare cirkels in de buitenwereld zijn hier slechts onvolmaakte afspiegelingen van
- Volgens Plato: willen we kennis vergaren dan moeten we ons ook niet richten op de
imperfecte waarneembare verschijnselen, maar op de wereld van de ideeën die eeuwig
onveranderlijk is
Filosofie van Aristoteles
- Empirische wetenschap: willen we kennis vergaren, dan moeten we volgens hem de natuur
zo nauwgezet mogelijk bestuderen met behulp van onze zintuigen
- Veranderingen die hij in de natuur waarnam zijn geen illusies (zoals Plato), maar bestaan
echt. De wereld is in beweging.
- Verandering is echt en overal en tegelijkertijd aanwezig
- Maakte onderscheid tussen Potentieel Zijn en Actueel Zijn
o Een blok marker is in potentie een beeld en een eikel in potentie een eik. Verandering
kan vanuit dit onderscheid begrepen worden als het overgaan van de ene vorm van
zijn naar de andere. Zo wordt de potentie uiteindelijk actueel
o 4 vormen waarop de overgang van Potentieel Zijn naar Actueel zijn kan plaatsvinden:
1. Het ontstaan en vergaan van objecten (appel groeit en rot)
2. Het veranderen van hoedanigheid (rups verandert in een vlinder)
3. Het veranderen van hoeveelheid (vermeerderen van zaad)
4. Het veranderen van plaats (appel valt van boom op de grond)
- ‘Leer van de 4 oorzaken’ : om de natuur en de veranderingen daarin te duiden. Om iets
volledig te begrijpen moeten we alle 4 oorzaken in beschouw nemen
1. Materie oorzaak: verwijst naar materie waar iets van gemaakt is (tafel
hout, beeld marmer)
2. Formele oorzaak: verwijst naar de essentie van iets, naar wat iets maakt
tot wat het is
, 3. Werkoorzaak: mechanische oorzaak die we in het moderne denken
erkennen (brekend glas hamer die erop viel, stoel timmerman die
hem gemaakt heeft)
4. Doeloorzaak: verwijst naar het doel van een object of gebeurtenis
- Heel de natuur kent een intrinsieke doelgerichtheid
- Niets gebeurt zomaar, alle verandering en beweging gebeurt omwille van iets
- Intrinsieke doelgerichtheid ligt besloten in de levenloze natuur
o Verklaring voor vallen van objecten: Aristoteles beweerde dat er 4 aardse elementen
zijn met hun natuurlijke plaats: onderaan aarde, daarboven water, dan lucht en dan
vuur. Als je iets uit zijn natuurlijke plaats haalt, dan zal het weer terug willen steen
optillen uit natuurlijke plaats, vervolgens loslaten, intrinsieke doelgerichtheid zorgt
ervoor dat hij terugkeert naar natuurlijke plaats
- Al het zijnde in de levende en de levenloze natuur moest wel een intrinsieke doelgerichtheid
dragen, omdat anders de regelmatigheden in de natuur niet begrepen kunnen worden
- Maakte veel gebruik van teleologische verklaringen
Teleologische verklaring: het bestaan van een object of gebeurtenis wordt verklaard door iets van in
de toekomst ligt
Mechanistische verklaring: het bestaan van een object of gebeurtenis wordt verklaard door iets wat
er in de tijd aan vooraf gaat
Aristoteles’ doeloorzaak en teleologische verklaringen moeten het ontgelden tijdens de
mechanisering van het wereldbeeld
2.2 De mechanisering van het wereldbeeld
Mechanisering filosofen:
- Copernicus
- Keples
- Galilei
- Newton
Copernicus
- Bedacht dat de aarde niet het middelpunt is van het heelal: de aarde draait om de zon en om
zijn eigen as heen
- Ptolemaeus: probeerde modellen te maken waarmee hij positie van planeten kon
voorspellen. Hij ging hierbij uit van 3 assumpties: aarde is het middelpunt van het heelal en
staat stil; planeten draaien om de aarde heen in cirkels; en zij draaien met een constante
snelheid. Om zijn assumpties te blijven vasthouden moest hij om de positie van de planeten
te voorspellen overgaan op het introduceren van epicycli, hulpcirkels.
- Copernicus: zon staat in het middelpunt van het heelal en de aarde draait om de zon en om
zijn eigen as
o Moest ook epicycli gebruiken voor voorspellen positie van planeten
- Problemen:
o Geen accurate beschrijving van planeetbanen
o Afwezigheid vreselijke wind we voelen de aarde niet bewegen
o Vallende objecten als Copernicus gelijk had, zouden objecten, als de aarde draait,
niet loodrecht naar beneden vallen omdat de aarde dan al een stukje gedraaid zou
zijn