Inleiding Strafrecht
RGBUSTR001 - Universiteit Utrecht 2024/2025
Bevat:
1. Uitwerking Kennisclips
2. Uitwerking Hoorcolleges
3. Uitwerking Leerdoelen
4. Uitwerking relevante informatie uit werkgroepopdrachten
a. Selectie gemaakt gebaseerd op punt 1 - 3
5. Uitwerking relevante informatie uit voorgeschreven literatuur
a. Selectie gemaakt gebaseerd op punt 1 - 3
,Week 1
Art 348 Sv
- Formele vragen
1. Geldigheid dagvaarding
a. Externe eis: betekeningsvoorschriften
i. Vorm, aankomst,
b. Interne eis: art 261 Sv
i. Lid 1: Feit, tijd, plaats, wettelijke voorschriften (art),
ii. Lid 2: omstandigheden
2. Bevoegdheid van rechter
a. Absolute competentie: welk soort rechter voor welk soort feit
b. Relatieve competentie: rechtsgebied rechtbank (geografisch)
3. Ontvankelijkheid OvJ
a. Rechter kan de OvJ stoppen van het vervolgen van een verdachte
i. Vervolgingsbeletsel
1. BV: NL geen rechtsmacht, ne bis in idem (double jeopardy),
buitengerechtelijke afdoening, overlijden, verjaring, klacht
(ontbreekt), onherroepelijke uitspraak
ii. Schending regels eerlijk process
4. Reden voor schorsing
a. Art 14-16 Sv
Art 349 Sv
- Einduitspraken bij art 348 Sv
1. Dagvaarding nietig
2. Rechter onbevoegd
3. OvJ niet-ontvankelijk
4. Schorsing vervolging
Strafbaar feit
1. Een menselijke gedraging: bestanddeel
a. Actief handelen of nalaten onder bepaalde omstandigheden
i. NL: daadstrafrecht: (intentie/gedachte niet strafbaar zonder handeling)
2. Binnen de grenzen van een wettelijke delictsomschrijving: bestanddeel
a. Alle bestanddelen delictsomschrijving afgehandeld in tenlastelegging
3. Wederrechtelijk: in strijd met het objectieve recht: element
a. Wederrechtelijkheid wordt aangenomen tenzij
b. Rechtvaardigingsgrond
i. Door omstandigheden → BV: noodweer
4. Verwijtbaar: element
a. Geen straf zonder schuld zonder verwijtbaarheid (er was een reëel
gedragsalternatief
b. Schulduitsluitingsgrond
i. Door persoon → BV: ontoerekeningsvatbaar door psychose
, Bestanddelen
- Onderdeel delictsomschrijving
- Soorten:
1. Objectief delictsbestanddeel
a. Objectieve feiten in de delictsomschrijvingen
i. BV: gedraging, gevolg van gedraging (dood),
begeleidende/bijkomende omstandigheid
ii. Geobjectiveerd bestanddeel: gevolg zonder opzet →
mishandeling de dood
2. Subjectief delictsbestanddeel
a. Geestesgesteldheid van dader
i. Schuldbestanddeel (opzet of culpa)
ii. Kwaliteit/hoedanigheid dader (strafbaar voor bepaald persoon)
Elementen
- Ongeschreven voorwaarden voor strafbaarheid
- Wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid
- Kan ook in delictsomschrijving worden opgenomen maar hoeft niet
Bewezenverklaring
- Strafrechtelijk bewijs minimum → 2 bewijsmiddelen
- Feiten die rechter: wettig bewezen én overtuigend bewezen
Art 350 Sv
Materiële vragen Art 350 Art 352
1. Is het feit Tenlastelegging bewezen Nee → vrijspraak
ondernomen/bewezen? verklaard
2. Is het feit strafbaar?
a Kwalificatie: strafbaar in de wet De wet oplevert (juridisch label) Nee → ontbrekende
bestanddelen → OVAR
b Strafbaarheid: in situatie/casu Het feit strafbaar is Nee → rechtvaardiging
grond → OVAR
3. Is dader strafbaar? Strafbaarheid den verdachte Nee → schulduitsluiting
grond → OVAR
4. Straf of maatregel Oplegging straf/maatregel Nee → OVAR
Delicten
1. Doleuze misdrijven: opzet als bestanddeel
2. Culpoze misdrijven: schuld/culpa als bestanddeel
3. Materieel omschreven delict: veroorzaken van gevolg is strafbaar → BV: doodslag
4. Formeel omschreven delict: handelen is strafbaar → BV: diefstal
5. Gekwalificeerd delict: delict + strafverzwarend bestanddeel
6. Geprivilegieerd delict: delict + straf verlagend bestanddeel
7. Commissiedelict: strafbare gedraging is handelen
8. Omissiedelict: strafbare gedraging is nalaten