Onderzoekscyclus:
1. vraagstelling
- PICO-methode
- Patiënt → voor welke groep patiënten is het antwoord op de
onderzoeksvraag bedoeld?
- Interventie → Welk risicofactor wordt onderzocht? (vaak
onafhankelijke variabele)
- Comparison → met welke andere risicofactor wordt de interventie
vergeleken?
- Outcome → welke uitkomst wordt vergeleken? (vaak afhankelijke
variabele)
Hebben ouderen (P) die dagelijks alcohol drinken (I) een lagere
botmineraaldichtheid (O) dan ouderen die geen alcohol drinken (C?
Kenmerken goede vraagstelling
● Relevant
● Onderzoekbaar
● Enkelvoudig
● Volledig
● Eenduidig
● Eenvoudig
● Correct geformuleerd
Onderzoeksvragen zijn altijd gebaseerd op hypotheses.
- H0 (nulhypothese) stelt dat er geen verband is tussen de variabelen
- H1 (alternatieve hypothese) stelt dat er wel een verband is
Statistiek is gebaseerd op falsificatie: aantonen van de valsheid van een stelling.
Zo kan je de nulhypothese verwerpen en de alternatieve hypothese aannemen.
vraag omzetten in variabelen:
onafhankelijke variabele = X
determinanten:
- risicofactoren
- oorzaken
- interventies
afhankelijke variabele = Y
ziekte-uitkomsten
onderzoeksmodel:
2. verzameling data
Bij het kiezen van een steekproef is het
belangrijk dat je sample representatief is voor de gehele populatie. Als de steekproef
generaliseerbaar is, kan deze gebruikt worden om conclusies te trekken over de hele
populatie.
, observeerbare zaken - hebben een duidelijke definitie en kunnen met fysieke
meetinstrumenten gemeten worden (bv temperatuur of bloeddruk)
niet-observeerbare zaken (constructen) - moeilijker te meten, vaak dmv vragenlijsten (bv
kwaliteit van leven)
Fouten
- bias = systematische meetfout
- selectiebias
- treedt op bij selecteren patiënten
- zijn je groepen vergelijkbaar?!
- informatiebias (measurement bias)
- treedt op tijdens het meten
- door meetinstrument (kapotte weegschaal) of
- meetomstandigheden (na slecht nieuws)
- meet je beide groepen op dezelfde manier?!
- confounding
- derde variabele in het spel die relatie in het onderzoek verstoort
bv.
Relatie tussen roken en bloeddruk.
Mensen die roken kunnen slechtere levensstijl hebben, dat kan
invloed hebben op bloeddruk.
Levensstijl is dus de derde variabele en de confounder.
Bias kan je voorkomen door zorgvuldig onderzoeksdesign te kiezen.
Cohort-studies hebben minder last van bias dan de case-control studies.
- chance
- toevalsfout
- willekeurige variatie
- bv als je 5 keer je bloeddruk meet verschilt de uitkomst soms
- kan beperkt worden door
gemiddelde van metingen te
nemen
1. vraagstelling
- PICO-methode
- Patiënt → voor welke groep patiënten is het antwoord op de
onderzoeksvraag bedoeld?
- Interventie → Welk risicofactor wordt onderzocht? (vaak
onafhankelijke variabele)
- Comparison → met welke andere risicofactor wordt de interventie
vergeleken?
- Outcome → welke uitkomst wordt vergeleken? (vaak afhankelijke
variabele)
Hebben ouderen (P) die dagelijks alcohol drinken (I) een lagere
botmineraaldichtheid (O) dan ouderen die geen alcohol drinken (C?
Kenmerken goede vraagstelling
● Relevant
● Onderzoekbaar
● Enkelvoudig
● Volledig
● Eenduidig
● Eenvoudig
● Correct geformuleerd
Onderzoeksvragen zijn altijd gebaseerd op hypotheses.
- H0 (nulhypothese) stelt dat er geen verband is tussen de variabelen
- H1 (alternatieve hypothese) stelt dat er wel een verband is
Statistiek is gebaseerd op falsificatie: aantonen van de valsheid van een stelling.
Zo kan je de nulhypothese verwerpen en de alternatieve hypothese aannemen.
vraag omzetten in variabelen:
onafhankelijke variabele = X
determinanten:
- risicofactoren
- oorzaken
- interventies
afhankelijke variabele = Y
ziekte-uitkomsten
onderzoeksmodel:
2. verzameling data
Bij het kiezen van een steekproef is het
belangrijk dat je sample representatief is voor de gehele populatie. Als de steekproef
generaliseerbaar is, kan deze gebruikt worden om conclusies te trekken over de hele
populatie.
, observeerbare zaken - hebben een duidelijke definitie en kunnen met fysieke
meetinstrumenten gemeten worden (bv temperatuur of bloeddruk)
niet-observeerbare zaken (constructen) - moeilijker te meten, vaak dmv vragenlijsten (bv
kwaliteit van leven)
Fouten
- bias = systematische meetfout
- selectiebias
- treedt op bij selecteren patiënten
- zijn je groepen vergelijkbaar?!
- informatiebias (measurement bias)
- treedt op tijdens het meten
- door meetinstrument (kapotte weegschaal) of
- meetomstandigheden (na slecht nieuws)
- meet je beide groepen op dezelfde manier?!
- confounding
- derde variabele in het spel die relatie in het onderzoek verstoort
bv.
Relatie tussen roken en bloeddruk.
Mensen die roken kunnen slechtere levensstijl hebben, dat kan
invloed hebben op bloeddruk.
Levensstijl is dus de derde variabele en de confounder.
Bias kan je voorkomen door zorgvuldig onderzoeksdesign te kiezen.
Cohort-studies hebben minder last van bias dan de case-control studies.
- chance
- toevalsfout
- willekeurige variatie
- bv als je 5 keer je bloeddruk meet verschilt de uitkomst soms
- kan beperkt worden door
gemiddelde van metingen te
nemen