Bewegingsleer in de interactieve bewegingsactiviteiten
1. Open en gesloten taken
GESLOTEN OPEN
Focus Intern Extern
Context Eigen bewegingspatroon Communicatief + lichaamstaal
Omgeving Statische omgeving Steeds wijzigende dynamische
omgeving (met tegenstanders)
Tijdsdruk Geen Wel
Voorspelbaarheid Ja Flexibel inzicht
Bewegingspatroon Anticipatie (spelers inschatten)
Vb. Gymnastiek Volleybal
Sommige sporten beide categorieën
Bv. Hoogspringen, basket (vrijworp = gesloten)
gesloten
. open taken
taken
DEEL 1: De motorische component
1. Motorisch leren
Motorisch leren = proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als
gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving
- Duurzaam = leereffect op lange termijn -> prestatieverbetering
- Gedrag = verandering alleen indirect meetbaar via gedrag of via prestatie -> training heeft
niet altijd effect op de prestatie
- Specifieke ervaring met/in omgeving = leereffect situatiegebonden (bv. training vs. wedstrijd)
Motorisch leren -> techniek- en coördinatietraining -> belangrijke rol (jeugd + topsport)
Deliberate practice = oefening gericht op vaardigheden en techniek die men nog niet kan ->
grensverleggende doelen
- Gericht op vernieuwing -> niet drillen of eindeloos herhalen
- Bv. Basketballer doet hook shot
1
, 1. Motorische vaardigheden
LOPEN (gecoördineerd + zweeffase)
3 – 4 jaar 5 – 6 jaar 7 – 8 jaar
loopt goed rechtdoor loopt mooi rechtop + goede sprint op bal van voet
lichaamsbeheersing
soms moeilijk drijft de loopsnelheid op vertoont matuur looppatroon:
observeerbare - Goede arm-beencoördinatie
zweeffase (3 j.) - Duidelijke voetafrol (landen op de
hiel of voorvoet en afstoten vanuit
korte en beperkte loopt vlot rond obstakels de tenen)
beenzwaai - Duidelijke en lange zweeffase
- Zwaaibeen is ≤ 90° gebogen ter
loopt met gekruiste start, stopt en draait tijdens hoogte van de knie
arm-been coördinatie het lopen + kan versnellen - Grote paslengte
loopt rond obstakels en vertragen - Volledige strekking van het
en kan scherpe steunbeen bij afstoot
bochten nemen
Het kind loopt
efficiënt (4 j.)
SPRINGEN EN LANDEN (afstoot, zweeffase, landing)
3 – 4 jaar 5 – 6 jaar 7 – 8 jaar
Algemeen:
Lichaam niet stabiel tijdens Basishuppelen met gekruiste Matuur springpatroon
springen en landen armcoördinatie + hinkelen +
(uitproberen) touwtje springen
Verspringen:
3 sprongen na elkaar met Armen zijwaarts brengen voor Stoot af in hoek van 45° +
voeten samen evenwicht brengt gewicht naar voor
tijdens landing
Hoogspringen:
Moeilijk met 2 voeten samen Met 2 voeten samen springen Goede armcoördinatie en
springen + buigt door knieën voor landt stabiel
sprong
DRIBBELEN
3 – 4 jaar 5 – 6 jaar 7 – 8 jaar
slaat met 2 handen op bal leunt over de bal om te leunt met de romp lichtjes
i.p.v. neerwaartse dribbelen + bal botst tot op voorover tijdens het dribbelen
duwbeweging borsthoogte
laat bal dicht bij lichaam ogen nog steeds enkel op de dribbelt de bal ter hoogte van
botsen -> bal soms op voeten bal gericht de taille/heup en plaatst de
terechtkomt voet tegenovergesteld aan de
dribbelhand voorwaarts
2
, ogen steeds op bal gericht -> begint controle te krijgen over controle over de
ziet niet wat er rondom zich de bal tijdens het dribbelen dribbelbeweging: duwen
gebeurt + kan zich niet vanuit de schouder, elleboog,
verplaatsen tijdens dribbelen pols en vingers.
geen controle over kracht om meerdere keren dribbelen met dribbelen zonder naar de bal
de bal te dribbelen -> grote voorkeurshand en daarna de te kijken met/zonder
variatie in hoogte van bots bal met 2 handen opvangen verplaatsing.
1 tot 3 keer na elkaar dribbelen controle over de kracht
met 2 handen samen waarmee het dribbelt
meerdere keren dribbelen met
de voorkeurs- en niet-
voorkeurshand
WERPEN
3 – 4 jaar 5 – 6 jaar 7 – 8 jaar
werpt met voeten op één lijn begint krachtiger en gerichter matuur werppatroon:
te werpen - Arm naar achter
brengen ter hoogte
van hoofd
- Lichaamsgewicht
verplaatst zich naar
voor tijdens worp
- Uitstappen met de
voet tegenovergesteld
aan de werparm
roteert niet of zeer weinig met brengt elleboog ter hoogte van gericht over grote afstand
lichaam schouder en roteert het werpen.
lichaam om te werpen
duwt eerder het voorwerp stapt uit bij het werpen, gericht werpen met niet-
vanaf de schouder (stoten) aanvankelijk met dezelfde voet voorkeurshand
i.p.v. werpen voor als de werparm, later met
de voet tegenovergesteld aan
de werparm
werpt bovenhands 1 à 2 m ver tennisbal werpen met één
+ werpt vaak ‘in’ de grond hand, 4 à 5 m ver
kan beter onderhands dan tennisbal opwerpen en terug
bovenhands werpen opvangen
moeite met het controleren
van de werprichting
pittenzakken in doos werpen
3
1. Open en gesloten taken
GESLOTEN OPEN
Focus Intern Extern
Context Eigen bewegingspatroon Communicatief + lichaamstaal
Omgeving Statische omgeving Steeds wijzigende dynamische
omgeving (met tegenstanders)
Tijdsdruk Geen Wel
Voorspelbaarheid Ja Flexibel inzicht
Bewegingspatroon Anticipatie (spelers inschatten)
Vb. Gymnastiek Volleybal
Sommige sporten beide categorieën
Bv. Hoogspringen, basket (vrijworp = gesloten)
gesloten
. open taken
taken
DEEL 1: De motorische component
1. Motorisch leren
Motorisch leren = proces dat leidt tot relatief duurzame veranderingen in het gedragspotentieel als
gevolg van specifieke ervaringen met de omgeving
- Duurzaam = leereffect op lange termijn -> prestatieverbetering
- Gedrag = verandering alleen indirect meetbaar via gedrag of via prestatie -> training heeft
niet altijd effect op de prestatie
- Specifieke ervaring met/in omgeving = leereffect situatiegebonden (bv. training vs. wedstrijd)
Motorisch leren -> techniek- en coördinatietraining -> belangrijke rol (jeugd + topsport)
Deliberate practice = oefening gericht op vaardigheden en techniek die men nog niet kan ->
grensverleggende doelen
- Gericht op vernieuwing -> niet drillen of eindeloos herhalen
- Bv. Basketballer doet hook shot
1
, 1. Motorische vaardigheden
LOPEN (gecoördineerd + zweeffase)
3 – 4 jaar 5 – 6 jaar 7 – 8 jaar
loopt goed rechtdoor loopt mooi rechtop + goede sprint op bal van voet
lichaamsbeheersing
soms moeilijk drijft de loopsnelheid op vertoont matuur looppatroon:
observeerbare - Goede arm-beencoördinatie
zweeffase (3 j.) - Duidelijke voetafrol (landen op de
hiel of voorvoet en afstoten vanuit
korte en beperkte loopt vlot rond obstakels de tenen)
beenzwaai - Duidelijke en lange zweeffase
- Zwaaibeen is ≤ 90° gebogen ter
loopt met gekruiste start, stopt en draait tijdens hoogte van de knie
arm-been coördinatie het lopen + kan versnellen - Grote paslengte
loopt rond obstakels en vertragen - Volledige strekking van het
en kan scherpe steunbeen bij afstoot
bochten nemen
Het kind loopt
efficiënt (4 j.)
SPRINGEN EN LANDEN (afstoot, zweeffase, landing)
3 – 4 jaar 5 – 6 jaar 7 – 8 jaar
Algemeen:
Lichaam niet stabiel tijdens Basishuppelen met gekruiste Matuur springpatroon
springen en landen armcoördinatie + hinkelen +
(uitproberen) touwtje springen
Verspringen:
3 sprongen na elkaar met Armen zijwaarts brengen voor Stoot af in hoek van 45° +
voeten samen evenwicht brengt gewicht naar voor
tijdens landing
Hoogspringen:
Moeilijk met 2 voeten samen Met 2 voeten samen springen Goede armcoördinatie en
springen + buigt door knieën voor landt stabiel
sprong
DRIBBELEN
3 – 4 jaar 5 – 6 jaar 7 – 8 jaar
slaat met 2 handen op bal leunt over de bal om te leunt met de romp lichtjes
i.p.v. neerwaartse dribbelen + bal botst tot op voorover tijdens het dribbelen
duwbeweging borsthoogte
laat bal dicht bij lichaam ogen nog steeds enkel op de dribbelt de bal ter hoogte van
botsen -> bal soms op voeten bal gericht de taille/heup en plaatst de
terechtkomt voet tegenovergesteld aan de
dribbelhand voorwaarts
2
, ogen steeds op bal gericht -> begint controle te krijgen over controle over de
ziet niet wat er rondom zich de bal tijdens het dribbelen dribbelbeweging: duwen
gebeurt + kan zich niet vanuit de schouder, elleboog,
verplaatsen tijdens dribbelen pols en vingers.
geen controle over kracht om meerdere keren dribbelen met dribbelen zonder naar de bal
de bal te dribbelen -> grote voorkeurshand en daarna de te kijken met/zonder
variatie in hoogte van bots bal met 2 handen opvangen verplaatsing.
1 tot 3 keer na elkaar dribbelen controle over de kracht
met 2 handen samen waarmee het dribbelt
meerdere keren dribbelen met
de voorkeurs- en niet-
voorkeurshand
WERPEN
3 – 4 jaar 5 – 6 jaar 7 – 8 jaar
werpt met voeten op één lijn begint krachtiger en gerichter matuur werppatroon:
te werpen - Arm naar achter
brengen ter hoogte
van hoofd
- Lichaamsgewicht
verplaatst zich naar
voor tijdens worp
- Uitstappen met de
voet tegenovergesteld
aan de werparm
roteert niet of zeer weinig met brengt elleboog ter hoogte van gericht over grote afstand
lichaam schouder en roteert het werpen.
lichaam om te werpen
duwt eerder het voorwerp stapt uit bij het werpen, gericht werpen met niet-
vanaf de schouder (stoten) aanvankelijk met dezelfde voet voorkeurshand
i.p.v. werpen voor als de werparm, later met
de voet tegenovergesteld aan
de werparm
werpt bovenhands 1 à 2 m ver tennisbal werpen met één
+ werpt vaak ‘in’ de grond hand, 4 à 5 m ver
kan beter onderhands dan tennisbal opwerpen en terug
bovenhands werpen opvangen
moeite met het controleren
van de werprichting
pittenzakken in doos werpen
3