Leerdoelen H9: erfelijkheid
Voorkennis van 4H (wordt deels herhaald in 9.1)
● Ik kan beschrijven hoe genetische informatie is vastgelegd in (paren) chromosomen
en DNA
Genetische informatie zit in het DNA, dat in de chromosomen in de celkern ligt. Mensen
hebben 23 paren chromosomen: de helft van de vader, de helft van de moeder. DNA
bestaat uit basenparen (A-T en C-G), die samen een "code" vormen. Die code bevat de
instructies voor eigenschappen zoals haarkleur of oogkleur. Stukken van die code, genen
genoemd, bevatten specifieke informatie en worden doorgegeven van ouders op kinderen.
● Ik kan uitleggen hoe van de genetische code in het DNA uiteindelijk een eiwit
ontstaat
Om van de genetische code in DNA een eiwit te maken, doorloopt de cel twee stappen:
transcriptie en translatie.
1. Transcriptie: In de celkern wordt een stukje DNA dat een gen bevat, omgezet in
boodschapper-RNA (mRNA). Het DNA opent zich, en het mRNA vormt een kopie
van de basenvolgorde van het gen. Dit mRNA verlaat vervolgens de kern en gaat
naar het ribosoom, het eiwitfabriekje van de cel.
2. Translatie: In het ribosoom leest het mRNA de basenvolgorde in groepen van drie,
zogenaamde codons. Elk codon geeft de code voor een specifiek aminozuur. Het
ribosoom koppelt aminozuren aan elkaar in de volgorde die het mRNA aangeeft, en
zo ontstaat een eiwit.
9.1 Waarneembare eigenschappen
Chromosomenportret
Bij een bevruchting versmelten de kern van een haploïde
zaadcel (n) en de kern van een haploïde eicel tot een diploïde
zygote (2n).
Chromosomen bestaan uit DNA opgerold rond steuneiwitten en
bevatten erfelijke informatie voor je eigenschappen.
Chromosomen vormen paren in de bevruchte eicel, homologe
chromosomen. Chromosomen bestaan voor de S-fase van een
celcyclus uit een enkel DNA-molecuul. In de S-fase ontstaat
hiervan een kopie, waardoor het chromosoom uit 2 chromatiden
bestaat die aan elkaar zitten bij het centromeer.
In een karyogram kun je niet zien welke erfelijke eigenschappen op een chromosoom
liggen. Chromosomen 1 t/m 22 heten autosomen. En 23 zijn geslachtschromosomen.
● Man: XY
Voorkennis van 4H (wordt deels herhaald in 9.1)
● Ik kan beschrijven hoe genetische informatie is vastgelegd in (paren) chromosomen
en DNA
Genetische informatie zit in het DNA, dat in de chromosomen in de celkern ligt. Mensen
hebben 23 paren chromosomen: de helft van de vader, de helft van de moeder. DNA
bestaat uit basenparen (A-T en C-G), die samen een "code" vormen. Die code bevat de
instructies voor eigenschappen zoals haarkleur of oogkleur. Stukken van die code, genen
genoemd, bevatten specifieke informatie en worden doorgegeven van ouders op kinderen.
● Ik kan uitleggen hoe van de genetische code in het DNA uiteindelijk een eiwit
ontstaat
Om van de genetische code in DNA een eiwit te maken, doorloopt de cel twee stappen:
transcriptie en translatie.
1. Transcriptie: In de celkern wordt een stukje DNA dat een gen bevat, omgezet in
boodschapper-RNA (mRNA). Het DNA opent zich, en het mRNA vormt een kopie
van de basenvolgorde van het gen. Dit mRNA verlaat vervolgens de kern en gaat
naar het ribosoom, het eiwitfabriekje van de cel.
2. Translatie: In het ribosoom leest het mRNA de basenvolgorde in groepen van drie,
zogenaamde codons. Elk codon geeft de code voor een specifiek aminozuur. Het
ribosoom koppelt aminozuren aan elkaar in de volgorde die het mRNA aangeeft, en
zo ontstaat een eiwit.
9.1 Waarneembare eigenschappen
Chromosomenportret
Bij een bevruchting versmelten de kern van een haploïde
zaadcel (n) en de kern van een haploïde eicel tot een diploïde
zygote (2n).
Chromosomen bestaan uit DNA opgerold rond steuneiwitten en
bevatten erfelijke informatie voor je eigenschappen.
Chromosomen vormen paren in de bevruchte eicel, homologe
chromosomen. Chromosomen bestaan voor de S-fase van een
celcyclus uit een enkel DNA-molecuul. In de S-fase ontstaat
hiervan een kopie, waardoor het chromosoom uit 2 chromatiden
bestaat die aan elkaar zitten bij het centromeer.
In een karyogram kun je niet zien welke erfelijke eigenschappen op een chromosoom
liggen. Chromosomen 1 t/m 22 heten autosomen. En 23 zijn geslachtschromosomen.
● Man: XY