Samenvatting + stappenplan Inleiding verbintenissenrecht
Week 2 dwaling (art. 6:228 BW)
Vereisten: (lid 1)
- Dwalende heeft onjuiste voorstelling van zaken
- Causaal verband tussen onjuiste voorstelling & aangaan van de overeenkomst
Had je deze overeenkomst alsnog gesloten als je wel de juiste voorstelling had?
- 1 van de gevaltypen doet zich voor (sub a t/m c)
a: onjuiste inlichting wederpartij
b: wederpartij licht dwalende niet in (behoorde wederpartij in te lichten?)
Van welke feiten was de wederpartij op de hoogte, of kon hij geacht
worden op de hoogte te zijn?
Wist of behoorde de wederpartij te weten dat de eigenschap waarover de
dwalende dwaalde, essentieel is voor de dwalende?
Had de wederpartij er rekening mee moeten houden dat de dwalende
dwaalde? (Kenbaarheidsvereiste)
Brengen maatschappelijke opvattingen mee dat de wederpartij de
dwalende uit de droom had moeten helpen?
c: wederzijdse dwaling
- Kenbaarheidsvereiste: het moet voor de wederpartij kenbaar zijn geweest dat de
omstandigheid en de eigenschap waaromtrent werd gedwaald voor de dwalende van
essentieel belang was
Verweermiddelen: (lid 2)
- De dwaling betreft een uitsluitend toekomstige omstandigheid
HR Booy/Wisman
- De dwaling behoort voor de rekening van de dwalende zelf te blijven
De aard van de overeenkomst
De in het verkeer geldende opvattingen
De omstandigheden van het geval
- Had de dwalende een onderzoeksplicht?
HR Baris/Riezenkamp
HR Booy/Wisman
De mededelingsplicht van de wederpartij gaat in beginsel vóór een
eventuele onderzoeksplicht van de dwalende
o HR Van der Beek/Van Dartel
o HR Offringa/Vinck & Van Rosberg
Week 2 bedrog (art. 3:44 lid 3 BW)
- Kunstgreep
Zoals: onjuiste voorstelling van zaken d.m.v. een onjuiste mededeling, verzwijging
van enig feit
- Opzettelijk bedrog
Willens en wetens de ander misleiden
Met het oogmerk die ander tot een rechtshandeling te bewegen
- Causaal verband tussen bedrog en verrichten van de rechtshandeling
, Week 3 bedreiging (art. 3:44 lid 2 BW)
- Een ander met enig nadeel bedreigen
Nadeel in persoon of goed voor de bedreigde zelf of voor een derde
- De bedreiging heeft een onrechtmatig karakter
- Causaal verband tussen bedreiging en verrichten van de rechtshandeling
Hoe zou een redelijk oordelend mens handelen?
Week 3 misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW)
- Bijzondere omstandigheden
Economisch of geestelijke kwetsbaarheid
- Causaal verband tussen omstandigheid en verrichten van de rechtshandeling
- Wederpartij bevordert totstandkoming van de rechtshandeling
- Kenbaarheidsvereiste: weten of behoren te weten dat ander door omstandigheid
wordt bewogen
- Onthouden van het bevorderen van de rechtshandeling
1. Wat is de aard van de bijzondere omstandigheid waarin de misbruikte verkeerde?
2. Op welke wijze heeft de misbruiker misbruik van die omstandigheid gemaakt?
3. Wat is de aard van de verhouding die (al) tussen de misbruiker en de misbruikte
bestond?
4. Wat is de aard van het nadeel dat de misbruikte lijdt als gevolg van de
rechtshandeling die is verricht?
Week 4 uitoefening volmacht (art. 3:66 lid 1 BW)
- In naam van de volmachtgever (rechtshandelingen verrichten)
- Binnen de grenzen van zijn volmacht
Week 4 volmachtverlening (art. 3:61 lid 2 BW)
- Op basis van een verklaring of gedraging van de volmachtgever
- Heeft de wederpartij aangenomen
- En mocht deze onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze aannemen
- Dat er toereikende volmacht was verleend
Week 2 dwaling (art. 6:228 BW)
Vereisten: (lid 1)
- Dwalende heeft onjuiste voorstelling van zaken
- Causaal verband tussen onjuiste voorstelling & aangaan van de overeenkomst
Had je deze overeenkomst alsnog gesloten als je wel de juiste voorstelling had?
- 1 van de gevaltypen doet zich voor (sub a t/m c)
a: onjuiste inlichting wederpartij
b: wederpartij licht dwalende niet in (behoorde wederpartij in te lichten?)
Van welke feiten was de wederpartij op de hoogte, of kon hij geacht
worden op de hoogte te zijn?
Wist of behoorde de wederpartij te weten dat de eigenschap waarover de
dwalende dwaalde, essentieel is voor de dwalende?
Had de wederpartij er rekening mee moeten houden dat de dwalende
dwaalde? (Kenbaarheidsvereiste)
Brengen maatschappelijke opvattingen mee dat de wederpartij de
dwalende uit de droom had moeten helpen?
c: wederzijdse dwaling
- Kenbaarheidsvereiste: het moet voor de wederpartij kenbaar zijn geweest dat de
omstandigheid en de eigenschap waaromtrent werd gedwaald voor de dwalende van
essentieel belang was
Verweermiddelen: (lid 2)
- De dwaling betreft een uitsluitend toekomstige omstandigheid
HR Booy/Wisman
- De dwaling behoort voor de rekening van de dwalende zelf te blijven
De aard van de overeenkomst
De in het verkeer geldende opvattingen
De omstandigheden van het geval
- Had de dwalende een onderzoeksplicht?
HR Baris/Riezenkamp
HR Booy/Wisman
De mededelingsplicht van de wederpartij gaat in beginsel vóór een
eventuele onderzoeksplicht van de dwalende
o HR Van der Beek/Van Dartel
o HR Offringa/Vinck & Van Rosberg
Week 2 bedrog (art. 3:44 lid 3 BW)
- Kunstgreep
Zoals: onjuiste voorstelling van zaken d.m.v. een onjuiste mededeling, verzwijging
van enig feit
- Opzettelijk bedrog
Willens en wetens de ander misleiden
Met het oogmerk die ander tot een rechtshandeling te bewegen
- Causaal verband tussen bedrog en verrichten van de rechtshandeling
, Week 3 bedreiging (art. 3:44 lid 2 BW)
- Een ander met enig nadeel bedreigen
Nadeel in persoon of goed voor de bedreigde zelf of voor een derde
- De bedreiging heeft een onrechtmatig karakter
- Causaal verband tussen bedreiging en verrichten van de rechtshandeling
Hoe zou een redelijk oordelend mens handelen?
Week 3 misbruik van omstandigheden (art. 3:44 lid 4 BW)
- Bijzondere omstandigheden
Economisch of geestelijke kwetsbaarheid
- Causaal verband tussen omstandigheid en verrichten van de rechtshandeling
- Wederpartij bevordert totstandkoming van de rechtshandeling
- Kenbaarheidsvereiste: weten of behoren te weten dat ander door omstandigheid
wordt bewogen
- Onthouden van het bevorderen van de rechtshandeling
1. Wat is de aard van de bijzondere omstandigheid waarin de misbruikte verkeerde?
2. Op welke wijze heeft de misbruiker misbruik van die omstandigheid gemaakt?
3. Wat is de aard van de verhouding die (al) tussen de misbruiker en de misbruikte
bestond?
4. Wat is de aard van het nadeel dat de misbruikte lijdt als gevolg van de
rechtshandeling die is verricht?
Week 4 uitoefening volmacht (art. 3:66 lid 1 BW)
- In naam van de volmachtgever (rechtshandelingen verrichten)
- Binnen de grenzen van zijn volmacht
Week 4 volmachtverlening (art. 3:61 lid 2 BW)
- Op basis van een verklaring of gedraging van de volmachtgever
- Heeft de wederpartij aangenomen
- En mocht deze onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze aannemen
- Dat er toereikende volmacht was verleend