Samenvatting HC’s TOE
tentamen: 07-04-2025
Kwalitatief
Interviewvormen:
Face to face: tijdrovend, maar grote opbrengst
Telefonisch: kleine tijd, maar gemis info
Online: kleine tijd, gemis info, gebrek controle
Go-along(= je loopt mee met respondent): dynamisch, informatief op
meerdere vlakken, maar lastig te managen (aantekeningen, onverwachte
dingen)
Etnografisch: meerdere dagen go-along
Wat gebeurd er met respondent:
1. Comprehension: begrijpen vraag
2. Retrieval: ophalen info
3. Judgement: gedachten, ideeën, meningen, herinneringen > welke
interessant?
4. Response: wat wil ik delen en in welke woorden doe ik dat
Onderdelen interview:
1. Aankomst + introductie: professioneel zijn, alles op orde, op tijd zijn,
voorbereid
2. Introductie onderzoek: consent afnemen, wat te verwachten
3. Begin vh interview: bruggetje naar jij bent interview > stel open vragen
4. Tijdens interview: flow, ‘echte’ vragen, volle focus
5. Einde interview: terugbrengen dagelijks niveau > ‘zijn er nog dingen die je
kwijt wil?’
6. Na interview: wat vond je ervan?
Doorknob effect = na gesprek met nieuwe info komen
Focusgroepen-FASEN
1) Forming: bij elkaar komen
2) Storming: conflicten, op zoek naar regels, wie neemt voortouw?
3) Norming: regels worden duidelijk
4) Performing: vragen beantwoorden
5) Adjourning: einde, iedereen uit elkaar
Focusgroepen vormen:
Two way: in 2en delen: A discussieert, B luistert + schrijven. stille
mensen ook
Dual moderator: twee moderatoren
Dueling moderator: twee moderatoren nemen voortouw in discussie,
hopen dat respondenten mee doen (let op! Niet te veel input geven!)
Respondent moderator: respondenten zelf verantwoordelijk
Online focusgroepen:
▫ Chat room tegelijkertijd
▫ Bulletin board duur aantal dagen/weken, vb: forum, blackboard
,Eliciterende responses:
- Probes = meer willen horen
Stilte
Ongerichte aanmoediging
Vraag naar uitweiding
Vraag naar uitleg
Reflectie/interpretatie/samenvatting
- Prompts = nieuw onderwerp aansnijden
Eliciterende materialen:
Vignetten = kort verhaal
Bestaande data = koppeling verhaal met iets bestaands
Gemaakte data = koppeling verhaal met iets wat gemaakt wordt
Topic list = outline van hfdvragen, subonderwerpen, prompts en probes
Voorkom scope creep = ongewild verleggen focus > afdwalen van onderwerp
Observaties
participerend Niet-participerend
Covert Complete participant Covert observer
Overt Participant observer observer
Reactiviteit/naturalisatie > anders gedragen, vb: hawthorne-effect
Going native = teveel onderdeel vd groep
Wat te observeren:
Primary observaties: dag, tijd, locatie, actoren, gebeurtenissen
Secundary observations: anderen bekijken jouw field notes
Experiental data: eigen gevoelens, reflecties, ondertoon
Circumstancial & background data: organisatie & ‘ongeschreven
regels’
Bestaande data > wordt toch al gemaakt
Manifest: direct zichbaar, objectief, duidelijk, beschrijvend. Vb: hoeveel uur,
aantallen
Latent: onderliggende componenten, diepere betekening. Vb: context, manier,
positie
Data-analyse:
Deductief (theorietestend) theorie – analyse – bevestiging/ontkrachten
Inductief (theorievormend) data – analyse -theorie
Abductief proces: fasen van inductie en deductie:
Verkenning data/theorie (inductie) > voorlopige verklaring > testen met
nieuwe data (deductie) > dan week beginnen met verkenning data/theorie
Decoding: ontdekken wat er bedoelt wordt
Encoding: label geven
, Soorten codes: attribute (demografische info), index (brede), analytic
(specifiek)
Grounded theory: gefundeerd in de data
Sensitizing concepts > literatuur in en kijkt wat mogelijke antwoorden zijn >
oren spitsen
A priori codes = van te voren codes concreet en specifiek
Vb: sesitizing concept: isolement, a priori codes: heimwee voelen, eenzaamheid
Fase 1: open coderen (overzicht creëren)
1. Data doornemen (sv maken > overkoepelende boodschap respondent)
2. Fragmenten identificeren: inhoudelijke betekenis, relevant bij
onderzoeksvraag
3. Fragmenten afbakenen: betekenisvol (dom iemand moet het kunnen
snappen)
4. Naam geven aan fragment: op basis van literatuur of eerder gemaakte
labels
5. Kwaliteit codeboom waarborgen: hernoemen codes, samenvoegen,
herindelen
Onderzoeker triangulatie inter-rater betrouwbaarheid = meerdere
onderzoekers kijken mee naar dezelfde data en maken individueel codes
Coderen checken met de 3 C’s
1. Context: betekenisvol geheel? (niet de “ja, dat klopt”)
2. Content: vang de inhoud, code moet dekken wat respondent bedoelt
3. Coverage: elk aspect gedekt door code
Fase 2: axiaal coderen (bouwstenen maken/structuur creëren)
Constant comparison = de hele tijd alles met alles
vergelijken
1. Structuur aanbrengen: lagen van hoofd- en subcodes identificeren: welke
horen bij elkaar
2. Definitie formuleren bij elke overkoepelende code
Fase 3: selectief coderen (model bouwen)
1. Overkoepelend verhaal vinden: hoofdthema’s identificeren, kernboodschap
formuleren (MAND!), patronen herkennen, perspectief respondenten
presenteren, verklarend perspectief
2. Verklarend model bouwen: onderzoeksvraag staat centraal
Theoretisch saturatie = nieuwe data geeft geen nieuwe info
Theoretical sampling = alle uitingsvormen dekken (niet kijken naar populatie,
maar alle vormen
Negative case = niet passend bij (voorlopige) theorie “ouliers/uitschieters”
tentamen: 07-04-2025
Kwalitatief
Interviewvormen:
Face to face: tijdrovend, maar grote opbrengst
Telefonisch: kleine tijd, maar gemis info
Online: kleine tijd, gemis info, gebrek controle
Go-along(= je loopt mee met respondent): dynamisch, informatief op
meerdere vlakken, maar lastig te managen (aantekeningen, onverwachte
dingen)
Etnografisch: meerdere dagen go-along
Wat gebeurd er met respondent:
1. Comprehension: begrijpen vraag
2. Retrieval: ophalen info
3. Judgement: gedachten, ideeën, meningen, herinneringen > welke
interessant?
4. Response: wat wil ik delen en in welke woorden doe ik dat
Onderdelen interview:
1. Aankomst + introductie: professioneel zijn, alles op orde, op tijd zijn,
voorbereid
2. Introductie onderzoek: consent afnemen, wat te verwachten
3. Begin vh interview: bruggetje naar jij bent interview > stel open vragen
4. Tijdens interview: flow, ‘echte’ vragen, volle focus
5. Einde interview: terugbrengen dagelijks niveau > ‘zijn er nog dingen die je
kwijt wil?’
6. Na interview: wat vond je ervan?
Doorknob effect = na gesprek met nieuwe info komen
Focusgroepen-FASEN
1) Forming: bij elkaar komen
2) Storming: conflicten, op zoek naar regels, wie neemt voortouw?
3) Norming: regels worden duidelijk
4) Performing: vragen beantwoorden
5) Adjourning: einde, iedereen uit elkaar
Focusgroepen vormen:
Two way: in 2en delen: A discussieert, B luistert + schrijven. stille
mensen ook
Dual moderator: twee moderatoren
Dueling moderator: twee moderatoren nemen voortouw in discussie,
hopen dat respondenten mee doen (let op! Niet te veel input geven!)
Respondent moderator: respondenten zelf verantwoordelijk
Online focusgroepen:
▫ Chat room tegelijkertijd
▫ Bulletin board duur aantal dagen/weken, vb: forum, blackboard
,Eliciterende responses:
- Probes = meer willen horen
Stilte
Ongerichte aanmoediging
Vraag naar uitweiding
Vraag naar uitleg
Reflectie/interpretatie/samenvatting
- Prompts = nieuw onderwerp aansnijden
Eliciterende materialen:
Vignetten = kort verhaal
Bestaande data = koppeling verhaal met iets bestaands
Gemaakte data = koppeling verhaal met iets wat gemaakt wordt
Topic list = outline van hfdvragen, subonderwerpen, prompts en probes
Voorkom scope creep = ongewild verleggen focus > afdwalen van onderwerp
Observaties
participerend Niet-participerend
Covert Complete participant Covert observer
Overt Participant observer observer
Reactiviteit/naturalisatie > anders gedragen, vb: hawthorne-effect
Going native = teveel onderdeel vd groep
Wat te observeren:
Primary observaties: dag, tijd, locatie, actoren, gebeurtenissen
Secundary observations: anderen bekijken jouw field notes
Experiental data: eigen gevoelens, reflecties, ondertoon
Circumstancial & background data: organisatie & ‘ongeschreven
regels’
Bestaande data > wordt toch al gemaakt
Manifest: direct zichbaar, objectief, duidelijk, beschrijvend. Vb: hoeveel uur,
aantallen
Latent: onderliggende componenten, diepere betekening. Vb: context, manier,
positie
Data-analyse:
Deductief (theorietestend) theorie – analyse – bevestiging/ontkrachten
Inductief (theorievormend) data – analyse -theorie
Abductief proces: fasen van inductie en deductie:
Verkenning data/theorie (inductie) > voorlopige verklaring > testen met
nieuwe data (deductie) > dan week beginnen met verkenning data/theorie
Decoding: ontdekken wat er bedoelt wordt
Encoding: label geven
, Soorten codes: attribute (demografische info), index (brede), analytic
(specifiek)
Grounded theory: gefundeerd in de data
Sensitizing concepts > literatuur in en kijkt wat mogelijke antwoorden zijn >
oren spitsen
A priori codes = van te voren codes concreet en specifiek
Vb: sesitizing concept: isolement, a priori codes: heimwee voelen, eenzaamheid
Fase 1: open coderen (overzicht creëren)
1. Data doornemen (sv maken > overkoepelende boodschap respondent)
2. Fragmenten identificeren: inhoudelijke betekenis, relevant bij
onderzoeksvraag
3. Fragmenten afbakenen: betekenisvol (dom iemand moet het kunnen
snappen)
4. Naam geven aan fragment: op basis van literatuur of eerder gemaakte
labels
5. Kwaliteit codeboom waarborgen: hernoemen codes, samenvoegen,
herindelen
Onderzoeker triangulatie inter-rater betrouwbaarheid = meerdere
onderzoekers kijken mee naar dezelfde data en maken individueel codes
Coderen checken met de 3 C’s
1. Context: betekenisvol geheel? (niet de “ja, dat klopt”)
2. Content: vang de inhoud, code moet dekken wat respondent bedoelt
3. Coverage: elk aspect gedekt door code
Fase 2: axiaal coderen (bouwstenen maken/structuur creëren)
Constant comparison = de hele tijd alles met alles
vergelijken
1. Structuur aanbrengen: lagen van hoofd- en subcodes identificeren: welke
horen bij elkaar
2. Definitie formuleren bij elke overkoepelende code
Fase 3: selectief coderen (model bouwen)
1. Overkoepelend verhaal vinden: hoofdthema’s identificeren, kernboodschap
formuleren (MAND!), patronen herkennen, perspectief respondenten
presenteren, verklarend perspectief
2. Verklarend model bouwen: onderzoeksvraag staat centraal
Theoretisch saturatie = nieuwe data geeft geen nieuwe info
Theoretical sampling = alle uitingsvormen dekken (niet kijken naar populatie,
maar alle vormen
Negative case = niet passend bij (voorlopige) theorie “ouliers/uitschieters”