Privaatrecht 1: Goederenrecht
Week B1
1. De student herkent de basisbegrippen vermogensrechten, roerende en
onroerende zaken, (natuurlijke en burgerlijke) vruchten, registergoederen en
goede trouw.
2. De student herkent de verschillen en overeenkomsten tussen absolute en
relatieve rechten.
3. De student duidt de beginselen van het goederenrecht binnen een casus.
Goederen zijn alle zaken en vermogensrechten à art. 3:1
Goede trouw à art. 3:11 BW
Weten: wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking heeft
kende...
Had moeten weten: wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw
betrekking heeft behoorde te kennen
Absoluut recht = goed à relaBe tussen persoon tot goed (het absoluut recht geldt tegenover
iedereen)
Beginselen van het goederenrecht
- Zaaksgevolg (droite de suit) à het eigendomsrecht en elk absoluut recht op een zaak
blijF rusten, zelfs wanneer de eigendom van die zaak wordt overgedragen
- Prioriteitsbeginsel (droite de priorité) àeerst gevesBgde absolute recht gaat voor
latere vesBgingen - oud gaat voor nieuw (binnen het goederenrecht)
- Bevoorrechte posi?e / voorrangsrecht (droite de préférence) à voorrang bij
faillissement à bij botsing van absoluut en relaBef recht, gaat absoluut recht voor
Volledig recht = als je eigenaar ervan bent, mag je er alles mee doen
à eigendomsrecht
à 1x volledig recht
à moederrecht
Beperk recht = stukjes die voortvloeien uit het eigendomsrecht (stukken van een taart)
Rela@ef recht = verbintenis à relaBe van persoon tot persoon
goed
Vermogensrecht zaak
Vermogensrecht (art. 6 BW 3)
o Rechten die afzonderlijk of tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn
o Rechten die ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen
o Rechten die verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk
voordeel
, o Vermogensrechten zijn rechten (dus niet tastbaar) die je kunt verkopen of die
financieel voordeel kunnen opleveren – alle rechten die op geld waardeerbaar zijn
Begrippen = BW 3 art. 1 t/m 15
Roerende - of onroerende zaken – Art. 3:3 BW
Zaken – Art. 3:2 BW
o Het is voor menselijke beheersing vatbaar, en
o Het is een stoffelijk object
o Zaken zijn dus stoffelijke (materiele) objecten waar de mens controle over kan
uitoefenen
Onroerende zaak = zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond
verenigde beplanBngen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn
verenigd (woning)
Roerende zaak = zijn alle zaken die niet onroerend zijn – fiets, auto, boek
Hoofdzaak of bestanddeel – Art. 3:4 BW
Bestanddeel van een hoofdzaak = indien het volgens verkeersopvaSng onderdeel uitmaakt
van de hoofdzaak of zodanig met de hoofdzaak verbonden is dat het zonder schade niet kan
worden losgemaakt van de hoofdzaak
à lid 1 art. 4 BW 3
o Als het een heersende maatschappelijke mening is: of
o Als het bestanddeel niet van de hoofdzaak kan worden afgescheiden zonder schade
toe te brengen
Bestanddeel als hoofdzaak = een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat
zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van de betekenis wordt
toegebracht aan een der zaken
à lid 2 art. 4 BW 3
Registergoederen – Art. 3:10 BW
Registergoederen = goederen die voor een overdracht of vesBging ingeschreven moeten
worden in een openbaar register
- Alle onroerende zaken zijn registergoederen
Goede trouw – Art. 3:11 BW
Goede trouw = degene die een handeling uitvoert niet weet of niet redelijkerwijs behoort te
weten dat de handeling niet rechtmaBg is
- Degene die te goeder trouw handelt, handelt vanuit eerlijke moBeven en kan – als
hem een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven – door de wet worden
beschermd wanneer hij ‘’onbewust’’ onrechtmaBg handelt
Art. 10 BW 3 à Art. 89 BW 3
Week B1
1. De student herkent de basisbegrippen vermogensrechten, roerende en
onroerende zaken, (natuurlijke en burgerlijke) vruchten, registergoederen en
goede trouw.
2. De student herkent de verschillen en overeenkomsten tussen absolute en
relatieve rechten.
3. De student duidt de beginselen van het goederenrecht binnen een casus.
Goederen zijn alle zaken en vermogensrechten à art. 3:1
Goede trouw à art. 3:11 BW
Weten: wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking heeft
kende...
Had moeten weten: wanneer iemand de feiten of het recht waarop zijn goede trouw
betrekking heeft behoorde te kennen
Absoluut recht = goed à relaBe tussen persoon tot goed (het absoluut recht geldt tegenover
iedereen)
Beginselen van het goederenrecht
- Zaaksgevolg (droite de suit) à het eigendomsrecht en elk absoluut recht op een zaak
blijF rusten, zelfs wanneer de eigendom van die zaak wordt overgedragen
- Prioriteitsbeginsel (droite de priorité) àeerst gevesBgde absolute recht gaat voor
latere vesBgingen - oud gaat voor nieuw (binnen het goederenrecht)
- Bevoorrechte posi?e / voorrangsrecht (droite de préférence) à voorrang bij
faillissement à bij botsing van absoluut en relaBef recht, gaat absoluut recht voor
Volledig recht = als je eigenaar ervan bent, mag je er alles mee doen
à eigendomsrecht
à 1x volledig recht
à moederrecht
Beperk recht = stukjes die voortvloeien uit het eigendomsrecht (stukken van een taart)
Rela@ef recht = verbintenis à relaBe van persoon tot persoon
goed
Vermogensrecht zaak
Vermogensrecht (art. 6 BW 3)
o Rechten die afzonderlijk of tezamen met een ander recht overdraagbaar zijn
o Rechten die ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen
o Rechten die verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk
voordeel
, o Vermogensrechten zijn rechten (dus niet tastbaar) die je kunt verkopen of die
financieel voordeel kunnen opleveren – alle rechten die op geld waardeerbaar zijn
Begrippen = BW 3 art. 1 t/m 15
Roerende - of onroerende zaken – Art. 3:3 BW
Zaken – Art. 3:2 BW
o Het is voor menselijke beheersing vatbaar, en
o Het is een stoffelijk object
o Zaken zijn dus stoffelijke (materiele) objecten waar de mens controle over kan
uitoefenen
Onroerende zaak = zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond
verenigde beplanBngen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn
verenigd (woning)
Roerende zaak = zijn alle zaken die niet onroerend zijn – fiets, auto, boek
Hoofdzaak of bestanddeel – Art. 3:4 BW
Bestanddeel van een hoofdzaak = indien het volgens verkeersopvaSng onderdeel uitmaakt
van de hoofdzaak of zodanig met de hoofdzaak verbonden is dat het zonder schade niet kan
worden losgemaakt van de hoofdzaak
à lid 1 art. 4 BW 3
o Als het een heersende maatschappelijke mening is: of
o Als het bestanddeel niet van de hoofdzaak kan worden afgescheiden zonder schade
toe te brengen
Bestanddeel als hoofdzaak = een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat
zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van de betekenis wordt
toegebracht aan een der zaken
à lid 2 art. 4 BW 3
Registergoederen – Art. 3:10 BW
Registergoederen = goederen die voor een overdracht of vesBging ingeschreven moeten
worden in een openbaar register
- Alle onroerende zaken zijn registergoederen
Goede trouw – Art. 3:11 BW
Goede trouw = degene die een handeling uitvoert niet weet of niet redelijkerwijs behoort te
weten dat de handeling niet rechtmaBg is
- Degene die te goeder trouw handelt, handelt vanuit eerlijke moBeven en kan – als
hem een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven – door de wet worden
beschermd wanneer hij ‘’onbewust’’ onrechtmaBg handelt
Art. 10 BW 3 à Art. 89 BW 3