Een behoefte is een wens die iemand vervult wilt zien. Om deze te bevredigen, heb je
middelen nodig. Sommige middelen zijn schaars, oftewel ze zijn beperkt beschikbaar in
verhouding tot de onbegrensde behoefte.
Middelen hebben een belangrijke eigenschap: ze zijn alternatief aanwendbaar: met
hetzelfde middel kunnen verschillende behoeftes bevredigd worden. De manier waarop je
een middel gebruikt, wordt aanwendingsrichting genoemd.
Wat is de beste aanwendingsrichting van een middel?
Activiteit Baten Kosten Nettobaten Opofferingsk Gecorrigeerde
osten nettobaten
Uitslapen 4 0 4 20 -16
Werken bij 32 12 20 14 6
de
supermarkt
Werken in de 20 6 14 20 -6
tuin
Baten = wat iemand ervoor krijgt / ervoor overheeft.
Kosten = hoe erg iemand het vind.
Nettobaten = baten - kosten.
Opofferingskosten = de hoogste nettobaten.
Gecorrigeerde nettobaten = nettobaten - opofferingskosten.
Budget is het totaal aantal middelen dat iemand heeft. Productcombinaties zijn de
combinaties van middelen waaraan het budget wordt uitgegeven.
De standaardformule van de budgetlijn is B = p(prijs)1 x q(product)1 + p2 x q2
Een ruil komt tot stand wanneer beide partijen er baat bij hebben. Er is dan een wederzijds
voordeel. Ook moet de ruilverhouding duidelijk zijn. Verder hangen er 2 voorwaardes aan
ruilen. Als eerste moet het vaststaan dat de aanbieder ook de wetmatige eigenaar is.
Eigendomsrechten bepalen wie de wettige eigenaar is van een middel. De tweede
voorwaarde is dat de transactiekosten lager moeten zijn dan het wederzijdse voordeel. Er
kan een institutie (organisatie) worden opgericht om de transactiekosten te verlagen.
Organisatievorm is de manier waarop alle activiteiten van een institutie onderling
georganiseerd zijn. Bij een autarkie is er een economie zonder ruil.
Arbeidsproductiviteit is de productie per gewerkte eenheid. Scholing is een manier om de
arbeidsproductiviteit te verhogen. Een andere manier is specialisatie, waardoor er onder
andere een arbeidsdeling ontstaat. Bij absoluut voordeel wordt dezelfde productie tegen
lagere kosten gerealiseerd. Bij comparatief voordeel gaat het meer om de
arbeidsproductiviteit.
Geld kan als ruilmiddel, oppotmiddel en rekenmiddel gebruikt worden. Geld moet aan
verschillende eisen voldoen: het moet deelbaar zijn, het moet handzaam zijn (= makkelijk
mee te nemen), het moet duurzaam zijn, het moet niet makkelijk na te maken zijn.
Nu hebben we fiduciair geld, dit houdt in dat het geld zijn waarde ontleent aan het
vertrouwen. Nieuw geld in omloop brengen is geldschepping.