1. Benaderingen in empirisch onderzoek naar het recht
1.2 hoe verhouden de juridische en empirische bestudering van het recht zich tot elkaar?
In de literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende manieren om het recht te
bestuderen. Vaak wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een juridische (of
positiefrechtelijke) en een empirische (of sociaalwetenschappelijke) benadering. Bij het
maken van het onderscheid tussen juridisch en empirisch wordt vaak verwezen naar één of
meer van de vier in de onderstaande tabel genoemde dimensies.
Tabel 1.1 - Onderscheidende dimensies van de juridische en empirische bestudering van het recht
Dimensie Juridisch Empirisch
1. Praktisch en normatief Beschrijving en/of verklarend
Onderzoeksdoelen In kaart brengen van nationale en en objectief
Europese wet- en regelgeving over Beschrijven hoeveel
mestfraude; analyseren toezicht NVWA houdt,
jurisprudentie mestfraudezaken op welke
verschillende rechtsgebieden; handhavingsinstrumenten
annoteren uitspraken Hoge Raad; daarbij worden ingezet en
voorstellen van wetswijzigingen of in welke gevallen dit leidt
anticiperen op nieuwe Europese tot strafmaatregelen en
wetgeving veroordelingen;
analyseren van de
netwerken die bij fraude
zijn betrokken; verklaren
van de manier waarop
het publiek aankijkt tegen
mestfraude en de manier
waarop daartegen wordt
opgetreden
2. Perspectief Intern Extern
Beoordelen van competenties, Beschrijven en verklaren
feiten, overwegingen, relevante van gedrag, emoties,
wet- en regelgeving en uitspraken motieven en belangen
in verband met rechtszaken over van partijen die direct en
mestfraudezaken indirect zijn betrokken bij
mestfraudeproblematiek
3. Methode Geesteswetenschappelijk Sociaalwetenschappelijk
Tekstanalyse van totstandkoming, Verantwoording van
ontwikkeling en interpretatie welke personen,
nationale wetgeving en Europese instanties of documenten
mestfraudewetgeving zijn onderzocht, op welke
manier gegevens zijn
verzameld (observaties,
interviews,
experimenten), waarover
gegevens zijn verzameld
en hoe deze zijn
geanalyseerd.
4. Kennisclaims Gebonden aan autoriteit, tijd en Persoonsonafhankelijk en
plaats universeel
Claims over gangbare manier Gebruik van theorieën of
waarop één of meer aspecten van verklaringen over de
de mestfraudewet- en regelgeving manier waarop lokale of
op een bepaald moment in nationale actoren
Nederland of landen waarmee een betekenis geven aan of
vergelijking wordt gemaakt omgaan met
worden geïnterpreteerd of over mestfraudeproblematiek
, voorstellen tot wijziging van die mogelijk ook op
gelende wet- en regelgeving. andere beleidsterreinen
of in andere landen van
toepassing zijn.
De eerste dimensie waarop de juridische en empirische bestudering van het recht van elkaar
worden onderscheiden betreft de onderzoeksdoelen: wat wil de onderzoeker bereiken? De
juridische bestudering van het recht kan primair worden gekarakteriseerd als praktijkgericht.
Hierbij gaat het om vragen als hoe het recht moet worden toegepast, geïnterpreteerd en
verder ontwikkeld. De juridische bestudering van het recht kan daarmee worden opgevat als
een commentaar op de rechtspraktijk die eventueel vergezeld gaat van adviezen over
rechtsvorming. Dit commentaar kan worden gegeven in de vorm van annotaties, preadviezen
of handboeken. De focus op de uitleg en hantering van gedragsnormen binnen een gegeven
juridische context wijst tevens op de normatieve insteek van de juridische bestudering van
het recht. Het gaat immers om de vragen hoe een consistent systeem van afdwingbare
normen kan worden opgesteld, wie daarbinnen welke bevoegdheden mag uitoefenen en welk
gedrag daarbinnen toelaatbaar is of niet. De empirische bestudering van het recht houdt
eerder verband met het streven om kennis te genereren door middel van het beschrijven van
de rechtspraktijk, het begrijpen van het functioneren ervan en het verklaren van de oorzaken
en gevolgen van het recht in de samenleving. De nadruk ligt meer op het genereren van
kennis over hoe het er feitelijk in de rechtspraak aan toegaat dan hoe het eraan toe zou
moeten gaan. Het is de bedoeling dat waarnemingen op een zo objectief mogelijke manier
worden gedaan. Vanuit juridisch perspectief kunnen onderzoeksdoelen betrekking hebben op
het in kaart brengen van de nationale en Europese wet- en regelgeving, het analyseren van
jurisprudentie, het annoteren van uitspraken van de Hoge Raad en het voorstellen van
wetswijzigingen of het anticiperen van nieuwe (Europese) regelgeving. In het geval van de
empirische bestudering kan onderzoek zich richten op de beschrijving van het toezicht, de
handhavingsinstrumenten die daarbij worden ingezet, verandering in gedrag of
nalevingsmotieven die toezicht teweegbrengt. Het kan zich ook richten op een analyse van de
betekenis die betrokkenen zelf geven, de netwerken die erbij betrokken zijn of het verklaren
van verschillen in de manier waarop het publiek aankijkt tegen het onderwerp en het
optreden daartegen.
De tweede dimensie gaat over het gehanteerde perspectief: intern of extern. Aan de
juridische bestudering van het recht wordt vaak een intern perspectief toegeschreven. Dit
houdt in dat de rechtswetenschappers de regels van een juridisch systeem volgt waarin de
redelijke afweging van belangen, waarden en doeleinden centraal staat. De empirische
bestudering van het recht wordt eerder in verband gebracht met een extern perspectief. Een
onderzoeker die een extern perspectief hanteert, observeert de gedragingen, emoties,
opvattingen en belangen van deelnemers aan de rechtspraktijk van buitenaf en probeert deze
te beschrijven en verklaren zonder zelf een normatieve positie in te nemen ten opzichte van
de gedragingen en betekenissen die de onderzochten aan hun eigen handelen toeschrijven.
De derde dimensie in het onderscheid tussen een juridische en empirische bestudering van
het recht heeft betrekking op de gehanteerde methode. In de juridische bestudering van het
recht wordt veelvuldig gebruik gemaakt van hermeneutische methode die vooral gangbaar is
binnen de geesteswetenschappen. In de hermeneutische methode staat de interpretatie van
teksten centraal. Kenmerkend voor de empirische bestudering van het recht is dat daarbij
gebruik wordt gemaakt van onderzoeksmethoden uit de sociale wetenschappen. Dit houdt in
dat gegevens op systematische wijze worden verzameld en geanalyseerd en dat er uitgebreid
verantwoording wordt afgelegd over methodologische keuzes. In dit geval wordt er voldaan
aan de zogenoemde replicatiestandaard. Deze standaard houdt in dat iedereen in principe in
staat moet zijn om onderzoek dat door een ander is verricht te begrijpen, beoordelen en
verder te ontwikkelen of te reproduceren zonder aanvullende informatie van de onderzoeker.
In een empirisch onderzoek wordt de onderzoeker geacht om verantwoording af te leggen
over welke personen, instanties of documenten zijn onderzocht, op welke manier gegevens
, zijn verzameld en waarover en welke technieken zijn gebruikt om deze gegevens te
analyseren.
De vierde dimensie in het onderscheid tussen een juridische en empirische bestudering van
het recht betreft de kennisclaims die worden gemaakt (het proces van kenniswerving en de
rechtvaardiging van dat proces). Kennisclaims kunnen gebaseerd zijn op
autoriteitsargumenten of onpersoonlijke waarheidsclaims en kunnen tijds- of plaatsgebonden
zijn of juist meer universele pretenties hebben. In de juridische bestudering van het recht
spelen autoriteitsargumenten mee in de acceptatie van kennisclaims. Ook worden opinies
over juridische kwesties serieuzer genomen naarmate de jurist die ze heeft opgeschreven
meer aanzien geniet binnen de juridische gemeenschap. Daarnaast blijven kennisclaims die
volgen uit de juridische bestudering van het recht vaak bewust beperkt tot een specifieke
casus of het geldende rechtssysteem waar ze betrekking op hebben. Met andere woorden: de
kennisclaims zijn veelal tijds- en plaatsgebonden. In de empirische bestudering van het recht
is er geen hogere autoriteit die vaststelt welke kennis valide is of niet. Kennisclaims zijn
eerder gebaseerd op onpersoonlijke criteria zoals de validiteit en objectiviteit van
waarnemingen van de onderzoeker. Het doel van empirisch onderzoek is om kennis te
genereren die generaliseerbaar is naar andere tijden of plaatsen.
De verschillen tussen de juridische en empirische bestudering van het recht zijn minder
absoluut dan ze wellicht op het eerste gezicht lijken. De onderzoeksdoelen van de juridische
bestudering van het recht zijn gekarakteriseerd als praktisch en normatief. Deze
karakterisering is maar gedeeltelijk juist, omdat niet al het juridisch onderzoek
positiefrechtelijk van aard is. Er bestaat ook rechtstheoretisch onderzoek en juridisch
onderzoek met een natuurrechtelijke insteek. Beschrijvend en objectief onderzoek heeft ook
een plek in de juridische bestudering van het recht. De karakterisering van empirisch
onderzoek als beschrijvend en/of verklarend en objectief verdient eveneens nuancering. Veel
empirisch onderzoek is specifiek gericht op de bestudering van vragen die relevant zijn voor
de rechtspraktijk. Bovendien wordt er binnen de empirische bestudering van het recht ook
uitgesproken normatief onderzoek verricht. Dit geldt bijvoorbeeld voor ‘critical legal studies’
die veelal tot doel hebben om onderdrukkende en uitsluitende denkbeelden en
uitgangspunten bloot te leggen die in het recht zijn vervat. Kortom: hoewel een deel van de
juridische bestudering van het recht hoofdzakelijk kan worden gekarakteriseerd als praktisch
en normatief, bestaat er ook een juridisch onderzoek dat meer beschrijvend en objectief is,
terwijl het omgekeerde geldt voor de empirische bestudering van het recht. Enerzijds kan een
extern perspectief op verschillende manieren doordringen in de juridische bestudering van
het recht. Allereerst zijn er rechtswetenschappers die in hun onderzoek een intern
perspectief combineren met empirische inzichten. Ten tweede kan het gebeuren dat
rechtswetenschappers culturele waarden en sociale verhoudingen die in wet- en regelgeving
zijn ingebakken reproduceren of juist problematiseren. Anderzijds kan een intern perspectief
doordringen in de empirische bestudering van het recht wanneer empirische onderzoekers
zelf een juridische achtergrond hebben of als ze, net als de deelnemers aan de rechtspraktijk,
de regels van een juridisch systeem als vertrekpunt van hun onderzoek nemen. Ook al spelen
in de juridische bestudering van het recht autoriteitsgebonden kennisclaims mee, betekent dit
niet dat deze allesbepalend zijn. Als de kwaliteit van de argumenten te wensen overlaat of als
er geen consensus over bestaat, dan worden ze niet als vanzelfsprekend geaccepteerd, ook
niet als ze afkomstig zijn van een autoriteit. Anderzijds spelen autoriteitsargumenten ook een
rol binnen de empirische bestudering van het recht. De kans dat kennisclaims worden erkend
door vakgenoten is namelijk het grootst als ze passen binnen gevestigde paradigma’s of
theorieën en als de onderzoeker die kennis claimt een gerenommeerde reputatie heeft.
Kortom: dat autoriteitsargumenten een prominente plek innemen in de juridische bestudering
van het recht betekent niet dat onpersoonlijke waarheidsclaims volledig afwezig zijn, terwijl
het omgekeerde geldt voor de empirische bestudering van het recht. In antwoord op de vraag
hoe een juridische en empirische bestudering van het recht zich tot elkaar verhouden, kan
worden gesteld dat beide benaderingen weliswaar verschillen in termen van doelen,