Olivia Galle
Inleiding
4 economische werelduitdagingen:
➔ Groei wereldeconomie groter dan bevolkingsgroei
➔ Groei minder ontwikkelde landen versnellen
➔ Rol overheid versterken:
◆ Betere welvaartsverdeling
◆ Ingrijpen bij marktfalen
➔ Vervuiler betaalt
Productiviteit = sleutel welvaart
➔ Door verandering productieproces meer produceren
➔ Meer aanbod zorgt voor lagere prijs
Rol overheid vrije markt:
➔ Voorwaarden scheppen voor goed-functionerende vrije markt
◆ Groot aantal spelers op vraag- en aanbod markt
◆ Homogene producten
◆ Vrije toegang tot markten
◆ Alle marktpartijen zijn perfect geïnformeerd
➔ Overheid moet boven markt staan
5 Belgische economische uitdagingen:
➔ Wegwerken overheidsschulden en uitbouw efficiënt overheidsapparaat
➔ Integratie via arbeidsmarkt (ook voor nieuwkomers)
➔ Hoe welvaart verdelen
➔ Opvang vergrijzing
➔ Milieu, CO2 neutrale groei met focus op welzijn bevolking
1
,Olivia Galle
Hoofdstuk 1: Wat is economie en hoe
denken economen?
1. De twee betekenissen van het woord
“economie”
The Economy:
➔ Economie als werkelijkheid
➔ Behoefte bevrediging centraal
➔ Produceren, verdelen en aanwenden middelen die behoeftebevrediging vervullen
Economics:
➔ Economie als menswetenschap
➔ Schaarste verschijnsel = de beperking van mogelijkheden om alle behoeften te
bevredigen
➔ Adam Smith (1723-1790): “Wealth of Nations”
◆ Grondlegger klassiek liberale economisch denken
◆ Periode van: Verlichting, Industriële Revolutie en uitbreiding wereldhandel
2. De kern van het economisch probleem:
schaarste verplicht tot kiezen
2.1 Schaarste
➔ Behoeften = tekorten (iets wat we tekort komen en willen)
➔ Productie = voortbrengen van middelen tot behoeftebevrediging
◆ Tot stand door inzetten productiefactoren
➔ Schaarsteverschijnsel of welvaartstekort = spanning tussen behoeften en middelen
◆ Relatief: verschil in tijd en ruimte
◆ Toename van middelen volstaat niet om probleem op te lossen
2.2 Economisch handelen is kiezen
➔ Schaarste van beschikbare middelen verplicht tot kiezen
◆ Kiezen op basis van:
● Voorkeuren
● Preferenties
● Prioriteiten
2
,Olivia Galle
➔ Alternatieve aanwendbaarheid: baten en offers:
◆ Baten = opbrengsten van keuze
◆ Offers = kosten van keuze
◆ ‘Kiezen is verliezen’
➔ Schaarste:
◆ Geen absoluut tekort
◆ Legt beslag op ingezette middelen, deze kunnen niet meer voor andere
doeleinden aangewend worden
➔ Keuzes worden niet enkel op individueel/gezins- niveau gemaakt
◆ Ook collectief (groepen, organisaties, landen)
◆ Niet monetaire factoren spelen ook rol (vrije tijd, psychologische voldoening,
status, cultuur…)
➔ Opportuniteitskosten = waarde van gederfde baten van beste alternatief dat niet
gerealiseerd werd
➔ Kiezen volgens optimalisatie-principe:
◆ Met schaarse middelen een zo groot mogelijke bevrediging van behoeften
◆ Doelmatig handelen om welvaart te optimaliseren
◆ Maximaliseren van baten en minimaliseren van offers
3. Behoeften
➔ Economie is wetenschap die menselijk handelen bestudeert in streven naar
behoeftebevrediging en daarvoor schaarse middelen inzet
3.1 Soorten behoeften
Individuele behoeften:
➔ Rangschikken volgens graad noodzakelijkheid
◆ Primaire behoeften (behoud van leven zelf en zekerheid)
◆ Hogere behoeften (leven aangenamer maken, piramide Maslow)
Collectieve behoeften:
➔ Gemeenschap bepaalt hoeveel middelen voor bevrediging van welke behoeften
worden ingezet en wie hiervoor moet betalen
3.2 Kenmerken van behoeften
➔ Verzadiging (wel terugkerend in tijd)
➔ Veelvuldig en onbeperkt (onbeperkte karakter behoeften verklaart streven naar meer
productie)
➔ Rangorde in belangrijkheid
◆ Verschillend per individu afhankelijk van voorkeuren of preferenties
◆ Gelden ook voor maatschappij in geheel (collectief)
3
, Olivia Galle
➔ Aard behoeften en rangorde → dynamisch: veranderlijk in tijd en ruimte
4. Economische goederen
➔ = schaarse middelen om behoeften te bevredigen
➔ = materieel (goederen) of immaterieel (diensten)
4.1 Kenmerken van economische goederen
➔ Schaars: er moet voor betaald worden
➔ Vrije goederen (=zon, lucht, zeewater)
➔ Nuttig: objectief en subjectief, geen waardeoordeel
4.2 Soorten goederen
Consumptiegoed Investeringsgoed
Intermediaire goed Finaal goed
Individueel goed Collectief goed
Consumptiegoederen & investeringsgoederen:
➔ Consumptiegoederen: om te consumeren
➔ Investeringsgoederen: om te produceren
➔ Beide finale goederen
Intermediaire goederen & finale goederen:
➔ Intermediaire goederen: gebruikt in productieproces voor finale goederen
➔ Finale goederen: afgewerkt product, geen verdere bewerking nodig
Individuele goederen & collectieve goederen:
➔ Individuele goederen:
◆ Op basis van individuele voorkeuren
◆ Aangekocht tegen marktprijs
◆ Individueel toegeëigend
◆ Uitsluiting van alle andere consumenten
➔ Collectieve goederen:
◆ Op basis van collectieve voorkeuren
◆ Er bestaat geen marktprijs
◆ Geen uitsluiting van andere consumenten
◆ Overheid organiseert en subsidieert
4
Inleiding
4 economische werelduitdagingen:
➔ Groei wereldeconomie groter dan bevolkingsgroei
➔ Groei minder ontwikkelde landen versnellen
➔ Rol overheid versterken:
◆ Betere welvaartsverdeling
◆ Ingrijpen bij marktfalen
➔ Vervuiler betaalt
Productiviteit = sleutel welvaart
➔ Door verandering productieproces meer produceren
➔ Meer aanbod zorgt voor lagere prijs
Rol overheid vrije markt:
➔ Voorwaarden scheppen voor goed-functionerende vrije markt
◆ Groot aantal spelers op vraag- en aanbod markt
◆ Homogene producten
◆ Vrije toegang tot markten
◆ Alle marktpartijen zijn perfect geïnformeerd
➔ Overheid moet boven markt staan
5 Belgische economische uitdagingen:
➔ Wegwerken overheidsschulden en uitbouw efficiënt overheidsapparaat
➔ Integratie via arbeidsmarkt (ook voor nieuwkomers)
➔ Hoe welvaart verdelen
➔ Opvang vergrijzing
➔ Milieu, CO2 neutrale groei met focus op welzijn bevolking
1
,Olivia Galle
Hoofdstuk 1: Wat is economie en hoe
denken economen?
1. De twee betekenissen van het woord
“economie”
The Economy:
➔ Economie als werkelijkheid
➔ Behoefte bevrediging centraal
➔ Produceren, verdelen en aanwenden middelen die behoeftebevrediging vervullen
Economics:
➔ Economie als menswetenschap
➔ Schaarste verschijnsel = de beperking van mogelijkheden om alle behoeften te
bevredigen
➔ Adam Smith (1723-1790): “Wealth of Nations”
◆ Grondlegger klassiek liberale economisch denken
◆ Periode van: Verlichting, Industriële Revolutie en uitbreiding wereldhandel
2. De kern van het economisch probleem:
schaarste verplicht tot kiezen
2.1 Schaarste
➔ Behoeften = tekorten (iets wat we tekort komen en willen)
➔ Productie = voortbrengen van middelen tot behoeftebevrediging
◆ Tot stand door inzetten productiefactoren
➔ Schaarsteverschijnsel of welvaartstekort = spanning tussen behoeften en middelen
◆ Relatief: verschil in tijd en ruimte
◆ Toename van middelen volstaat niet om probleem op te lossen
2.2 Economisch handelen is kiezen
➔ Schaarste van beschikbare middelen verplicht tot kiezen
◆ Kiezen op basis van:
● Voorkeuren
● Preferenties
● Prioriteiten
2
,Olivia Galle
➔ Alternatieve aanwendbaarheid: baten en offers:
◆ Baten = opbrengsten van keuze
◆ Offers = kosten van keuze
◆ ‘Kiezen is verliezen’
➔ Schaarste:
◆ Geen absoluut tekort
◆ Legt beslag op ingezette middelen, deze kunnen niet meer voor andere
doeleinden aangewend worden
➔ Keuzes worden niet enkel op individueel/gezins- niveau gemaakt
◆ Ook collectief (groepen, organisaties, landen)
◆ Niet monetaire factoren spelen ook rol (vrije tijd, psychologische voldoening,
status, cultuur…)
➔ Opportuniteitskosten = waarde van gederfde baten van beste alternatief dat niet
gerealiseerd werd
➔ Kiezen volgens optimalisatie-principe:
◆ Met schaarse middelen een zo groot mogelijke bevrediging van behoeften
◆ Doelmatig handelen om welvaart te optimaliseren
◆ Maximaliseren van baten en minimaliseren van offers
3. Behoeften
➔ Economie is wetenschap die menselijk handelen bestudeert in streven naar
behoeftebevrediging en daarvoor schaarse middelen inzet
3.1 Soorten behoeften
Individuele behoeften:
➔ Rangschikken volgens graad noodzakelijkheid
◆ Primaire behoeften (behoud van leven zelf en zekerheid)
◆ Hogere behoeften (leven aangenamer maken, piramide Maslow)
Collectieve behoeften:
➔ Gemeenschap bepaalt hoeveel middelen voor bevrediging van welke behoeften
worden ingezet en wie hiervoor moet betalen
3.2 Kenmerken van behoeften
➔ Verzadiging (wel terugkerend in tijd)
➔ Veelvuldig en onbeperkt (onbeperkte karakter behoeften verklaart streven naar meer
productie)
➔ Rangorde in belangrijkheid
◆ Verschillend per individu afhankelijk van voorkeuren of preferenties
◆ Gelden ook voor maatschappij in geheel (collectief)
3
, Olivia Galle
➔ Aard behoeften en rangorde → dynamisch: veranderlijk in tijd en ruimte
4. Economische goederen
➔ = schaarse middelen om behoeften te bevredigen
➔ = materieel (goederen) of immaterieel (diensten)
4.1 Kenmerken van economische goederen
➔ Schaars: er moet voor betaald worden
➔ Vrije goederen (=zon, lucht, zeewater)
➔ Nuttig: objectief en subjectief, geen waardeoordeel
4.2 Soorten goederen
Consumptiegoed Investeringsgoed
Intermediaire goed Finaal goed
Individueel goed Collectief goed
Consumptiegoederen & investeringsgoederen:
➔ Consumptiegoederen: om te consumeren
➔ Investeringsgoederen: om te produceren
➔ Beide finale goederen
Intermediaire goederen & finale goederen:
➔ Intermediaire goederen: gebruikt in productieproces voor finale goederen
➔ Finale goederen: afgewerkt product, geen verdere bewerking nodig
Individuele goederen & collectieve goederen:
➔ Individuele goederen:
◆ Op basis van individuele voorkeuren
◆ Aangekocht tegen marktprijs
◆ Individueel toegeëigend
◆ Uitsluiting van alle andere consumenten
➔ Collectieve goederen:
◆ Op basis van collectieve voorkeuren
◆ Er bestaat geen marktprijs
◆ Geen uitsluiting van andere consumenten
◆ Overheid organiseert en subsidieert
4