Psychologie last-minute
samenvatting
Voor wanneer je te laat bent begonnen en je de belangrijkste begrippen en
informatie nog wilt doorzezen 😊
Middelen die van buiten komen en een schadelijke invloed hebben op de
prenatale ontwikkeling noem je teratogene factoren
Groeirichtingen:
1. Cefalocaudaal: van boven naar beneden (2 maanden tot 6 jaar)
het hoofd groeit eerder/harder.
2. Proximodistaal: eerst midden, dan buitenkant (vanaf 6 jaar) eerst
word de romp groter en dan de ledematen.
Sensomotorische ervaringen -> ervaringen die worden opgedaan
door middel van motoriek.
Circulair secundaire acties – acties die tot een onbedoeld gevolg
leiden, en dat de baby die onbedoelde actie vervolgens herhaald en
waarneemt.
Circulair tertiaire reactie – de handeling staat niet centraal maar
het hulpmiddel, bijvoorbeeld eten met de vork.
Klassieke Conditionering (associatief leren) <- door middel van
een reactie op een stimulus/prikkel. Bvb bij de hond van Pavlov en baby
Albert.
Operante conditionering <- wanneer je een bewuste handeling
moet verrichten om het doel te bereiken.
Stimulus generalisatie – je maakt bvb een overval mee en van dat
alarm schrik je, elke keer dat je daarna zon alarm hoort kan je zo’n zelfde
schrikreactie krijgen
Stimulus discriminatie – als het geluid er niet genoeg op lijkt kan je
onderscheid maken tussen de geluiden en krijg je op bepaalde alarmen
geen reactie krijgen.
Kennardprincipe – het feit dat op jongere leeftijd je brein een grotere
plasticiteit heeft.
, Pivot – het vaak gebruikte woord voorbeeld ‘weg melk’ of ‘weg mama’.
Hierin is weg het pivot woord.
Open woord – in het hiervoor gegeven voorbeeld zou het open woord
melk of mama zijn.
Vullingsfase = het eerst groeien in de breedte, daarna komt de
strekkingsfase en worden ze dus langer.
Lateralisatie = lichaamsdelen kunnen zich onafhankelijk van elkaar
bewegen. Hierdoor word de motoriek fijner en kunnen kinderen
specifiekere handelingen verrichten (bijvoorbeeld zwemmen, hinkelen,
schaatsen, etc.)
Visuele prikkels van waarneming die kinderen rond hun
zesde ontwikkelen:
- Grootteconstantie, kinderen leren dat objecten steeds groter
lijken als ze dichterbij komen maar niet groter worden.
- Kleur- en helderheidsconstantie, dat bij fellere belichting
kleuren helderder contrasten en groter zijn dan in het donker waarin
vrijwel alles kleurloos is.
- Vormconstantie, dat vormen hetzelfde blijven maar anders lijken
vanuit verschillende perspectieven.
samenvatting
Voor wanneer je te laat bent begonnen en je de belangrijkste begrippen en
informatie nog wilt doorzezen 😊
Middelen die van buiten komen en een schadelijke invloed hebben op de
prenatale ontwikkeling noem je teratogene factoren
Groeirichtingen:
1. Cefalocaudaal: van boven naar beneden (2 maanden tot 6 jaar)
het hoofd groeit eerder/harder.
2. Proximodistaal: eerst midden, dan buitenkant (vanaf 6 jaar) eerst
word de romp groter en dan de ledematen.
Sensomotorische ervaringen -> ervaringen die worden opgedaan
door middel van motoriek.
Circulair secundaire acties – acties die tot een onbedoeld gevolg
leiden, en dat de baby die onbedoelde actie vervolgens herhaald en
waarneemt.
Circulair tertiaire reactie – de handeling staat niet centraal maar
het hulpmiddel, bijvoorbeeld eten met de vork.
Klassieke Conditionering (associatief leren) <- door middel van
een reactie op een stimulus/prikkel. Bvb bij de hond van Pavlov en baby
Albert.
Operante conditionering <- wanneer je een bewuste handeling
moet verrichten om het doel te bereiken.
Stimulus generalisatie – je maakt bvb een overval mee en van dat
alarm schrik je, elke keer dat je daarna zon alarm hoort kan je zo’n zelfde
schrikreactie krijgen
Stimulus discriminatie – als het geluid er niet genoeg op lijkt kan je
onderscheid maken tussen de geluiden en krijg je op bepaalde alarmen
geen reactie krijgen.
Kennardprincipe – het feit dat op jongere leeftijd je brein een grotere
plasticiteit heeft.
, Pivot – het vaak gebruikte woord voorbeeld ‘weg melk’ of ‘weg mama’.
Hierin is weg het pivot woord.
Open woord – in het hiervoor gegeven voorbeeld zou het open woord
melk of mama zijn.
Vullingsfase = het eerst groeien in de breedte, daarna komt de
strekkingsfase en worden ze dus langer.
Lateralisatie = lichaamsdelen kunnen zich onafhankelijk van elkaar
bewegen. Hierdoor word de motoriek fijner en kunnen kinderen
specifiekere handelingen verrichten (bijvoorbeeld zwemmen, hinkelen,
schaatsen, etc.)
Visuele prikkels van waarneming die kinderen rond hun
zesde ontwikkelen:
- Grootteconstantie, kinderen leren dat objecten steeds groter
lijken als ze dichterbij komen maar niet groter worden.
- Kleur- en helderheidsconstantie, dat bij fellere belichting
kleuren helderder contrasten en groter zijn dan in het donker waarin
vrijwel alles kleurloos is.
- Vormconstantie, dat vormen hetzelfde blijven maar anders lijken
vanuit verschillende perspectieven.