Geschreven door Karlan van Ieperen-Schelhaas
2e herziene druk
Inhoud
Hoofdstuk 1 Het begrip context.............................................................................................................2
Hoofdstuk 2 Relationele ethiek en de vier dimensies.............................................................................3
Hoofdstuk 3 Erkenning...........................................................................................................................5
Hoofdstuk 4 De dialoog..........................................................................................................................6
Hoofdstuk 5 Intergenerationele verbondenheid....................................................................................7
Hoofdstuk 6 Meerzijdig gerichte partijdigheid.......................................................................................9
Hoofdstuk 7 Het begrip loyaliteit..........................................................................................................10
Hoofdstuk 8 Passend en niet-passend geven.......................................................................................12
, Hoofdstuk 1 Het begrip context
1.1 Inleiding
Het begrip context is kenmerkend voor de contextuele benadering en maakt meteen duidelijk
waarin deze zich onderscheidt van andere benaderingen binnen de hulpverlening.
1.2 De context
Het begrip context verwijst naar het netwerk van betekenisvolle relaties.
-Gaat in eerste plaats om directe familierelaties> gezin.
-Ook het grotere, intergenerationele, familieverband behoort tot de context van een persoon.
-Familierelaties worden ook wel gegeven relaties genoemd> ze maken deel uit van iemand leven
door het simpele feit dat hij in dit gezin/familie geboren is.
-Relaties die niet verbroken kunnen worden.
-Relaties die iemand in de loop van zijn leven opdoet kunnen wel verbroken worden> bv
klasgenoten.
-In toenemende mate bestaat het gezins- of familieverband van mensen niet meer alleen uit
gegeven, maar ook uit verworven relaties> bv samengestelde gezinnen.
Het begrip context verwijst naar het hele netwerk van gegeven en betekenisvolle verworven
relaties.
1.3 Overdracht binnen families
In het contextuele denken wordt uitgegaan dat een groot deel van de pijn en vreugde in het
persoonlijke leven en in de levensgeschiedenis van een persoon wordt bepaald door de
(intergenerationele) context waarbinnen hij geboren is. Het is daarom van groot belang te weten
wat er binnen de context van je cliënt speelt en wordt overgedragen.
Hierbij zijn 4 aspecten te onderscheiden:
1. Erfelijke aanleg.
Erfelijkheid (nature) speelt een grote rol> gaat om eigenschappen van iemand die door
genetische aanleg zijn bepaald.
2. Sociale omgevingsfactoren.
Eigenschappen die niet/niet in de eerste plaats genetisch zijn bepaald, maar waar
opvoeding en leefomstandigheden een belangrijke rol in spelen (nurture).
Karaktereigenschappen en talenten zijn niet alleen genetisch bepaald, maar worden ook in
de sociale omgang gevormd.
o Wat in aanleg wel gegeven is, komt mogelijk niet/nauwelijks tot ontplooiing in een
omgeving waarin dit nauwelijks aangemoedigd wordt.
o Wat iemand in aanleg minder heeft meegekregen, kan in een stimulerende
omgeving weleens tot grotere bloei kunnen komen dan in andere omstandigheden.
3. Gewoonten en gebruiken.
Voor gewoonten en gebruiken geldt zeker dat ze binnen de persoonlijke omgang tussen
ouders en kinderen worden overgedragen.
Veel van deze gewoonten worden door alle betrokkenen als waardevol beleefd, andere
gewoonten worden als knellend ervaren.
Wanneer iemand geconfronteerd wordt met heel andere gewoonten dan in het eigen gezin/
binnen eigen familie gelden, worden die niet zelden als raar/vreemd beleefd.
4. Normen en waarden.
Veel gewoonten en gebruiken vinden hun oorsprong in opvattingen over wat hoort en niet
hoort> normen en waarden van de familie.
1.4 Ten slotte
Contextuele hulpverlening heeft nadrukkelijk aandacht en oog voor context van cliënt.
Hij ziet cliënt niet als los, opzichzelfstaand individu.