100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Other

OEFENTOETS - Behandeling: interventies binnen de orthopedagogiek

Rating
-
Sold
-
Pages
19
Uploaded on
10-06-2024
Written in
2023/2024

Oefentoets met 92 vragen mc-vragen en een aantal open vragen. Alle colleges komen aan bod in deze oefentoets.

Institution
Course










Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
June 10, 2024
Number of pages
19
Written in
2023/2024
Type
Other
Person
Unknown

Subjects

Content preview

Oefentoets Behandeling: interventies binnen de Orthopedagogiek

1. Welke beschrijving past niet bij gedrag?
A. Alles wat een persoon zegt of doet
B. Elke observeerbare en meetbare activiteit van een organisme
C. Gedrag is altijd overt, als het niet observeerbaar is, is het een cognitie
D. Gedrag is niet altijd observeerbaar/ overt

2. Wat is een voorbeeld van gedragsmodificatie?
A. Door middel van operant conditioneren een kind zindelijk maken
B. Met principes alleen overt gedrag kunnen veranderen
C. Het welzijn van mensen in kaart brengen

3. Gedragsmodificatie kent 7 karakteristieken, welke van de volgende 4 kenmerken past
bij gedragsmodificatie?
A. Technieken voor gedragsverandering worden uitsluitend door professionals
toegepast en kunnen niet worden gerepliceerd door personen in het dagelijks
leven
B. Gedragsmodificatie maakt geen gebruik van principes uit de leerwetenschap en
richt zich alleen op nieuwe theoretische modellen
C. Verantwoordelijkheid voor gedragsverandering ligt alleen bij het individu zelf,
zonder betrokkenheid van anderen zoals ouders of leerkrachten
D. Problemen worden gedefinieerd in termen van meetbaar gedrag, en verandering
in gedrag is de beste indicator voor oplossingen

4. Welke van de onderstaande beschrijvingen worden niet beschouwd als gedrag in de
context van gedragsverandering?
A. Oefenen voor een voetbalwedstrijd
B. Je kamer opruimen
C. 5 kilo afvallen
D. Met een potlood op een tafel tikken

5. Welke wetenschapper werd geassocieerd met klassiek conditioneren
A. Skinner
B. Pavlov
C. Watson
D. Bandura

6. Wat is een kenmerk van het klassiek conditioneren?
A. Het gebruik van beloningen en straffen om gedrag te beïnvloeden
B. Het koppelen van een neutrale stimulus aan een ongeconditioneerde stimulus om
een geconditioneerde respons te verkrijgen
C. Het observeren van modellen en het imiteren van hun gedrag
D. Het analyseren van interne gedachten en gevoelens

,7. Wat beschrijft de theorie van operant conditioneren?
A. Gedrag wordt gemodificeerd door associaties tussen verschillende stimuli
B. Gedrag wordt gemodificeerd door de gevolgen van dat gedrag, zoals belonen en
straffen
C. Gedrag wordt gemodificeerd door observatie en imitatie van anderen
D. Gedrag wordt gemodificeerd door bewustzijn en cognitieve processen

8. Albert Ellis en Aaron Beck zijn de grondleggers van de CGT. Wat was een van hun
hoofdstandpunten?
A. Rationele gedachten kunnen lastige emoties veroorzaken
B. Bij gedragsmodificatie speelt de levensgeschiedenis een belangrijke rol
C. Irrationele gedachten kunnen lastige emoties veroorzaken
D. Bij gedragsmodificatie spelen ongeconditioneerde stimuli een belangrijke rol

9. Wat is het verschil tussen Applied Behaviour Analysis (ABA) en operant
conditioneren?
A. ABA bouwt voort op operant conditioneren
B. Operant conditioneren begint met een uitgebreide analyse
C. Bij ABA is er alleen sprake van belonen en/ of straffen
D. ABA is de grondlegger van operant conditioneren

10. Atypisch gedrag is gedrag dat afwijkt van…
A. De norm van de maatschappij
B. De norm van tijd van de maatschappij
C. Zowel de norm en norm van de tijd van de maatschappij
D. Niet de norm en niet de norm van de tijd van de maatschappij

11. Welke van de volgende uitspraken beschrijft het behavioristische perspectief in de
psychologie?
A. Dit perspectief richt zich op de biologische basis van gedrag, zoals de relatie
tussen de darmen en het brein
B. Dit perspectief legt de nadruk op de invloed van vroege kinderlijke ervaringen en
relaties, zoals de impact van de relatie met je vader op latere verbindingen met
mensen
C. Dit perspectief richt zich op observeerbaar gedrag en de methoden om gedrag te
veranderen, zoals gedragstherapie en cognitieve gedragstherapie
D. Dit perspectief analyseert de invloed van onbewuste processen en motieven op
gedrag en relaties

12. Bij het proeven van een schijfje citroen, trek je een zuur gezicht door de smaak.
Welke term past bij het trekken van een zuur gezicht?
A. Geconditioneerde stimulus
B. Geconditioneerde respons
C. Ongeconditioneerde stimulus
D. Ongeconditioneerde respons

, 13. Mensen met claustrofobie krijgen angstklachten van kleine ruimtes/ grotten. Bij het
denken of aanwezig zijn van een kleine ruimte volgt dus een emotioneel respons.
Welke term past bij het zien of denken aan kleine ruimtes/ grotten?
A. Geconditioneerde stimulus
B. Geconditioneerde respons
C. Ongeconditioneerde stimulus
D. Ongeconditioneerde respons

14. Zodra de bel ’s nachts afgaat krijg je een negatieve respons waardoor je wakker
schrikt. Op het moment dat je niet bewust bent, voel je een sensatie in je lichaam dat
je wakker moet worden. Gevoel van een volle blaas moet geassocieerd worden met
de bel (die uiteindelijk niet nodig meer moet zijn) om wakker te worden, op te staan
en naar het toilet te gaan. Hierbij is de bel …1… die geconditioneerd wordt. De volle
blaas is de …2….
Wat moet er bij nummer 1 & 2 staan?
A. 1: Ongeconditioneerde stimulus – 2: neutrale situatie
B. 1: geconditioneerde stimulus – 2: geconditioneerde respons
C. 1: ongeconditioneerde stimulus – 2: geconditioneerde respons
D. 1: geconditioneerde stimulus – 2: neutrale situatie

15. Het doel van exposure bij klassiek conditioneren is om een associatie…
A. Te versterken
B. Te ondersteunen
C. Te verzwakken
D. Aan te leren

16. Een psycholoog heeft een cliënt met een spinnenfobie. De psycholoog gaat met de
exposure methode aan de slag en doet dit door de cliënt stap je voor stapje meer in
aanraking te laten komen met de spin. Van welke vorm van exposure is er sprake?
A. Imaginaire exposure
B. In vivo exposure
C. Exposure met response preventie

17. Welke stelling is niet waar?
A. Bij flooding wordt de aangeleerde associatie niet in stapje vermindert, maar in 1
keer
B. Modeling kan ook een vorm van exposure zijn
C. Desensitisatie houdt in dat er d.m.v. het maken van kleine stapjes een angst
vermindert wordt
D. Bij counter conditioning wordt er samen met een stimulus die inmiddels
geconditioneerd is, iets negatief toegevoegd
R118,00
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
StudentuitLeiden

Get to know the seller

Seller avatar
StudentuitLeiden Universiteit Leiden
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
0
Member since
5 year
Number of followers
0
Documents
7
Last sold
-

0,0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their exams and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can immediately select a different document that better matches what you need.

Pay how you prefer, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card or EFT and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions