artikelen
Samenvatting voor het vak Professionele Gespreksvoering (PG ) dat wordt gegeven in
het vierde blok van jaar 2 aan de Universiteit Utrecht. De samenvatting is gebaseerd
op de artikelen die tentamenstof zijn: Korthagen (1999), Gramsbergen-Hoogland & van
der Molen (2008), Egan (2012) en Hargie (2011). Waar nodig zijn plaatjes toegevoegd.
Belangrijke begrippen zijn gemarkeerd.
, Korthagen (1999) Het linken van reflectie en technische competentie: het logboek als
een instrument in lerareneducatie
Het beheersen van technische competenties wordt gezien als een preconditie voor
reflectie, omdat technische competenties ervoor zorgen dat leraren hun lesgeven kunnen
analyseren. Echter is reflectie ook een preconditie om bewust te worden van een tekort
aan competenties.
Reflectie: een spiraalproces
Reflectie is het mentale proces van het
(her)structureren van een ervaring, probleem of
bestaande kennis en inzichten. Reflectie wordt gezien
als een spiraal waarbij handelen, leren van
handelingen en het hierdoor verbeteren van de
handeling elkaar opvolgen.
Het fase model heet ALACT: actie → terugkijken op
de actie → bewustzijn van essentiële aspecten → het
creëren van alternatieve methoden van actie →
proberen van de alternatieven.
Een logboek is een notitieboek waarin mensen hun eigen reflecties noteren. Hoe
concreter de situatie waarop iemand reflecteert, hoe meer kans dat men ervan leert. Ook
moet men om de zoveel tijd reflecteren op het eigen ontwikkelingsproces: dit is een
meta-reflectie.
Vb. van vragen: Fase 1 (Wat wilde ik bereiken?), fase 2 (Wat dacht, voelde, deed en
wilde ik?), fase 3 (Wat betekent dit voor mij?) en fase 4 (Wat zal ik de volgende keer
doen?).
Bij studentleraren is het vooral van belang het gebruik van een logboek voor reflectie aan
te leren voordat ze gaan lesgeven. Men moet het zo vroeg mogelijk in de studie
aanbieden.
Reflectie en de ontwikkeling van adequaat interpersoonlijk lesgedrag
De kern van reflectie ligt in fase 3. Voor studenten is de transitie van fase 2 naar fase 3
het moeilijkst. Vragen voor fase 2 zijn: Wat deed/dacht/wilde/voelde ik en de ander?
Een circulair proces betekent dat persoon A invloed heeft op persoon B en persoon B
invloed heeft op persoon A.
Intern georiënteerde mensen willen leren door te reflecteren op hun ervaringen, terwijl
extern georiënteerde mensen instructies willen.