Hoofdstuk 1
Aanbouwwet:
Wet die vorm krijgt door er steeds meer delen aan toe te voegen.
Algemeen bestuursrecht:
Regels die op alle terreinen van het bestuur optreden van toepassing zijn.
Algemene maatregel van bestuur:
Regeling, afkomst van de regering.
Bestemmingsplan:
Document waarin de bestemming van een bepaald gebied in een
gemeente is vastgelegd alsmede de voorschriften die daar gelden ten
aanzien van het gebruik en de bebouwing van de grond en de gebouwen.
Bijzonder bestuursrecht:
Regels die van toepassing zijn op de bijzondere gebieden waar het
openbaar bestuur actief is
College van B&W:
College van burgemeester en wethouders van een gemeente.
Coördinatiewet:
Wet waarin overeenkomstige bepalingen die in alle regelingen op een
bepaald bestuursgebied voorkomen, bij elkaar gebracht zijn.
Europese richtlijn:
Regeling van de Europese Commissie.
Europese verordening:
Regeling van het Europees Parlement en de Europese Raad.
Formele wetgever:
Regering en Staten- Generaal.
Gelaagde structuur:
Vorm van een wet waarin algemene en bijzondere bepalingen elkaar
opvolgen en in samenhang gelezen en toegepast moeten worden.
Gelede normstelling:
Systeem waarbij normen het individuele geval mede worden bepaald door
normen in diverse regelingen die dikwijls in een hiërarchische verhouding
tot elkaar staan.
Gemeentelijke verordening:
Regeling, vastgesteld door de gemeenteraad.
GS:
,Gedeputeerde Staten van een provincie.
Hiërarchisch normenstelsel:
Ordening van regelgeving waarbij de ene regeling hoger in rang is dan de
andere.
Legaliteitsbeginsel:
Uitgangspunt dat voor het overheidsoptreden een wettelijke grondslag
nodig is.
Ministeriele richtlijn:
Regeling van een minister.
Omgevingsvergunning:
Toestemming van het openbaar bestuur voor het uitvoeren van projecten
in de fysieke leefomgeving die zijn genoemd in art. 2.1 en 2.2 Wabo
Openbaar bestuur:
De overheid voor zover zij zich met bestuurstaken bezighoudt.
Provinciale verordening:
Regeling van Provinciale Staten.
Publiekrecht:
Rechtsgebied waar de relatie van het openbaar bestuur met de burger
centraal staat.
Rechtsbescherming:
Waarborg voor de burger dat het openbaar bestuur zijn instrumenten
zorgvuldig gebruikt.
Specialiteitsbeginsel:
Uitgangspunt dat een bestuursorgaan bij het voorbereiden van een besluit
alleen die belangen mag afwegen die vallen binnen het kader van een
bijzondere wet.
Tranche:
Fase.
Waterschapsverordening:
Regeling van het waterschapsbestuur.
Wet in formele zin:
Wet van de formele wetgever
Wet in materiele zin:
Wet die algemeen verbindende voorschriften bevat.
Wetmatigheid van bestuur:
, Zie: legaliteitsbeginsel.
Hoofdstuk 2
A-Orgaan:
Orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld,
zoals een openbaar lichaam en een zelfstandige publiekrechtelijke
rechtspersoon.
Ambt:
Functie waaraan wettelijke bevoegdheden zijn gekoppeld.
Attributie:
Toekenning door de wet.
B-orgaan:
Orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon, persoon of college die of
dat niet tot de overheid behoort maar wel een bestuurstaak uitvoert.
Belangenafweging:
Het beoordelen en op waarde schatten van de verschillende belangen.
Belanghebbende:
Degene die door een besluit van een bestuursorgaan rechtstreeks in zijn
belang wordt getroffen.
Bestuursbevoegdheid:
Instrument van een bestuursorgaan om de samenleving mee te besturen.
Bestuursorgaan:
Orgaan van een organisatie van het openbaar bestuur met
bestuursbevoegdheid.
College van B&W:
Het dagelijks bestuur van de gemeente.
Commissaris van de koning:
Voorzitter van de Provinciale Staten alsmede voorzitter en lid van
Gedeputeerde Staten.
Deconcentratie:
Spreiding van taken binnen hetzelfde overheidsniveau over verschillende
diensten, inspecties en ambten.
Delegans:
Bestuursorgaan dat een aan hem toegekende bestuursbevoegdheid en de
bijhorende verantwoordelijkheid overdraagt aan een ander
bestuursorgaan.
Delegataris: