Onderwerpen:
- Opkomst van steden
- De stedelijke burgerij
- Staatsvorming en centralisatie
- De kerk en de staat
- Het christelijke Europa en de buitenwereld
Tijdvak 4: De tijd van steden en staten (1000-1500), Hoge en late middeleeuwen
Paragraaf 4.1 De opkomst van de steden
Van landbouw naar landbouw-stedelijke samenleving: Steden keerden terug vanaf de 11e
eeuw door afname van invasies en plundertochten. Handel bloeide op, kleine
nederzettingen groeiden, en boeren leverden overschotten.
Terugkeer van de stad: Hamburg bloeide in de 15e eeuw op door handel. De Hanze, een
verbond van handelssteden, speelde een leidende rol.
De middeleeuwse stad: Middeleeuwse steden waren vaak klein en ontstonden aan rivieren.
Ze hadden kronkelige straten, houten huizen, kerken en stadsmuren.
Boeren, handelaren, ambachtslui: Steden ontstonden door het einde van Vikinginvasies,
bevolkingsgroei, en meer landbouwopbrengsten. Markten ontstonden waar ook
ambachtslieden zich vestigden.
Geldeconomie: Luxe goederen werden over lange afstanden verhandeld, vooral in Noord-
Italië en Vlaanderen. De Hanze was een netwerk van handelssteden.
Opleving geldeconomie: Doordat er meer handel komt verbeterd de economie. Rijke
handelaren werden bankiers, munten werden gangbaar in het dagelijks leven, en nieuwe
betaalmethoden zoals wisselbrieven ontstonden.
Paragraaf 4.2 De stedelijke burgerij
De ongezonde stad: Steden waren dichtbevolkt en hadden weinig hygiëne, maar mensen
trokken naar steden voor meer vrijheid en rijkdom.
Stadsrechten: Stadsbewoners kregen privileges zoals wetten, rechtspraak, tolheffing en
stadsmuren in ruil voor belastingbetaling. Baljuwen werden door de heer aangesteld als
rechters.
Burgers en gilden: Niet alle stadsbewoners waren burgers. Burgers genoten bescherming,
rechtshulp, konden lid worden van schutterijen en gilden. Gilden zorgden voor
beroepsopleiding, kwaliteit van producten en ondersteuning van leden.