1. Een cel onder de microscoop
Een cel = kleine hokjes waaruit de weefsels zijn opgebouwd
1.1. eencellige en meercellige organisme
meercellige organisme (Mens/plant) =
deze organismen bestaan uit veel verschillende celtypen
elke celtypen heeft een eigen levensduur, uiterlijk en functie
eencellige organisme (bacterie, amoeben) =
Een cel voert alle activiteiten uit om in leven te blijven. bv. gist, pantoffeldier, onbevrucht ei
van een kip
1.2. Wat zijn de functies van de verschillende celtypen ?
+ cellen zijn gegroepeerd in weefsel
+ In die weefsel hebben de verschillende celtypen zich gespecialiseerd om een
welbepaald functie uit te voeren.
celtypen :
Spierweefsel :
Rode bloedcellen ;
bestaat uit langwerpige Zenuwweefsel :
bevatten hemoglobine
cellen, met daarin eiwitten opgebouwd uit
zenuwcellen die door daardoor zijn ze in staat
die in elkaar kunnen schuiven.
om zuurtsofgas te
Op die manier kunnen de lange uitlopers met
elkaar verbonden zijn transporteren via
spieren samentrekken.
en zo de de bloedbanen
zenuwgeleiding
verzorgen.
1.3. Hoe groot is een cel ?
+ de grootte van een cel is zeer variabel
+ Grootste cel = onbevruchte struisvogelei
+ cel duidelijk = paprika
+ onmogelijk met blote oog te zien = zaadcellen
+ Menselijke eicel = net zichtbaar
→Meeste cellen zijn microscopisch klein
1.4. Verschilt een plantencel van een dierencel ?
→planten- en dierencellen zijn grotendeels op dezelfde manier opgebouwd
- plantencellen : celwand (stevigheid van cel), bladgroenkorrels (voor fotosynthese)
- Dierencellen : celmembraan (aan de buitenzijde), de kern (het midden), de
cytoplasme (celvloeistof)
2. Dieren- en plantencellen
● Een cel heeft een eigen celmetabolisme ( kunnen stoffen maken, afbreken en
omzetten)
○ daarvoor zijn meer structuren nodig
● Je kunt het niet zien met een lichtmicroscoop
● je kunt het wel zien met een elektronenmicroscoop
2.1. Dierlijke cel
Verschillende celdelen
- celmembraan
, - bestaat uit vetten en eiwitten
- dubbele laag lipiden - fosfolipiden zorgen voor de soepelheid en de
vervormbaarheid van de cel
- functie
- bescherming van celinhoud
- selectieve migratie van stoffen in en uit de cel.
- kern
- Daarin zit het chromatinetwerk
- chromosomen wanneer de cel deelt (wij hebben 46 chromosomen)
- hierin zit alle informatie die een hele cel laat functioneren.
- cytoplasma
Al de celdelen drijven in een stroperige vloeistof
Celorganellen (aantal structuren met een welbepaalde functie) :
1. Mitochondriën
functie = energiecentrum van de cel, zet O2 om in CO2
2. Endoplasmatische Reticulum
functie = transport van stoffen binnen de cel
● met ribosomen →eiwitsynthese
3. Ribosomen
functie = belangrijk rol bij het aanmaken van eiwitten
4. Golgi-apparaat
functie = transport van stoffen naar buitenkant van de cel
5. Lyosomen
= blaasje die enzymen bevat waarin stoffen verteerd kunnen worden
(afvalverwerking)
functie : verteren van opgenomen voedingsstoffen
6. centrosoom
functie = belangrijk bij celverdeling