Hoofdstuk 6: De oude dag
Inleiding
Als mensen met pensioen gaan vallen inkomsten meestal weg.
Dan ontvangen ouderen hun inkomen uit de AOW, Pension en
eigen middelen. Het pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers.
6.2 De AOW
De zorg voor ouderen werd in naoorlogse jaren minder een
verantwoordelijkheid voor de familie. Omdat er massale
armoede was zorgde de regering ervoor dat mensen vanaf 65
jaar een AOW uitkering kregen. De rechten daarvoor worden
opgebouwd vanaf 17 tot 67 jaar.
● Sociaal minimum: 70% van minimumloon
50% van minimumloon voor gehuwden of samenwonenden
De uitkering is op basis van een verzekering→ je betaald dus premie
Benodigde premies komen binnen via:
● Omslagstelsel: iedereen die belastingen betaalt (veelal dus de werkende mensen)
allemaal bijdragen aan een centraal potje waaruit dan weer geld wordt gehaald voor
de mensen die het nodig hebben
● Kapitaaldekkingstelsel: Iedereen die een inkomen heeft betaald premie aan een
fonds waaruit later een inkomen aan je uitgekeerd wordt.
→Een werknemer zelf geld voor zijn of haar pensioen, en krijgt dit nadat hij of zij met
pensioen gaat uitgekeerd. Een werknemer kan zelf bepalen hoeveel geld er opzij wordt
gezet voor het pensioen. Bij het opbouwen van een pensioen betaal je terwijl je werkt een
pensioenpremie.
Premie: 17,9% van het inkomen tot 34.712 (dat is dus de premie grens)
○ Te kort aan opbrengsten van premies→ aangevuld uit belastingen
Andere volksverzekeringspremies
● Anw-premie: algemene nabestande wet
● Wlz-premie: wet langdurige zorg
Vergrijzing
Dor vergrijzing en de gestegen levensverwachting is de AOW leeftijd van 65 niet langer
betaalbaar. Daarom is het nu 67 jaar.
Waardevast & welvaartsvast
Een uitkering kan waardevast of welvaartsvast zijn
● Welvaartsvaste uitkering: de jaarlijkse stijging van de uitkering is even groot als de
gemiddelde jaarlijkse loonstijging in bedrijven
AOW = Welvaartsvast
, ● Waardevaste uitkering: de koopkracht van de uitkering blijft gelijkt, de uitkering
stijgt dus gelijk aan stijging van inflatie. Gekoppeld aan consumentenprijsindex (CPI)
6.3 Pensioen
Veel pensioengerechtigden hebben naast hun AOW-uitkering ook een aanvulling, meestal
doordat ze in hun werkzame leven gespaard hebben via een pensioenregeling.
ZZP’ers → extra sparen is vrijwillig
● Gedwongen besparing: per bedrijfstak gaat dit via pensioenfondsen. Het sparen is
dan voor werknemers verplicht.
Pensioenuitkering
Pensioenuitkering is geen vervanging, maar een aanvulling op de AOW-uitkering. Een goed
pensioen staat gelijk aan 75% van je gemiddeld loon tijdens jouw loopbaan.
● Pensioen= uitgestelde loon → ruilen over tijd
● Ruilen over tijd: werknemer en werkgever betalen pensioenpremie en krijgen
daarvoor een pensioenuitkering voor terug na het pensioen.
Pensioenfondsen
Ze beheren de betaalde pensioenpremies en betalen uitkeringen. Ze beleggen de
premiegelden
Doel van beleggen → zo’n hoog mogelijk rendement halen. Dit brengt wel risico’s.
● Dekkingsgraad: De dekkingsgraad geeft aan of een fonds voldoende geld in kas
heeft om aan zijn verplichtingen te voldoen, dus of het in staat is om pensioenen uit
te keren.
→ Dekkingsgraad van 100%= het vermogen is net genoeg om alle uitkeringen te betalen
Het vermogen van een pensioenfonds wordt dus gevoed door de ontvangen premies en
opbrengsten van het belegde vermogen
6.4 Vrij sparen voor de oude dag
Als je de AOW en of bedrijfspensioen te laag vindt kan je zelf ook dingen doen
1. Extra sparen: bouwt vermogen op waardoor later een extra uitkering krijgt
2. Vermogen vaststellen
● Op een spaarrekening zetten
● Beleggen in obligaties en of aandelen
● Aflossen van hypotheek op eigen woning
3. Zelf een pensioenverzekering afsluiten: De overheid stimuleert zelfstandigen via
de belastingen om te sparen voor de oude dag: op korte termijn hoeven ze minder
belasting te betalen als ze een deel van de winst reserveren voor hun pensioen
Inleiding
Als mensen met pensioen gaan vallen inkomsten meestal weg.
Dan ontvangen ouderen hun inkomen uit de AOW, Pension en
eigen middelen. Het pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers.
6.2 De AOW
De zorg voor ouderen werd in naoorlogse jaren minder een
verantwoordelijkheid voor de familie. Omdat er massale
armoede was zorgde de regering ervoor dat mensen vanaf 65
jaar een AOW uitkering kregen. De rechten daarvoor worden
opgebouwd vanaf 17 tot 67 jaar.
● Sociaal minimum: 70% van minimumloon
50% van minimumloon voor gehuwden of samenwonenden
De uitkering is op basis van een verzekering→ je betaald dus premie
Benodigde premies komen binnen via:
● Omslagstelsel: iedereen die belastingen betaalt (veelal dus de werkende mensen)
allemaal bijdragen aan een centraal potje waaruit dan weer geld wordt gehaald voor
de mensen die het nodig hebben
● Kapitaaldekkingstelsel: Iedereen die een inkomen heeft betaald premie aan een
fonds waaruit later een inkomen aan je uitgekeerd wordt.
→Een werknemer zelf geld voor zijn of haar pensioen, en krijgt dit nadat hij of zij met
pensioen gaat uitgekeerd. Een werknemer kan zelf bepalen hoeveel geld er opzij wordt
gezet voor het pensioen. Bij het opbouwen van een pensioen betaal je terwijl je werkt een
pensioenpremie.
Premie: 17,9% van het inkomen tot 34.712 (dat is dus de premie grens)
○ Te kort aan opbrengsten van premies→ aangevuld uit belastingen
Andere volksverzekeringspremies
● Anw-premie: algemene nabestande wet
● Wlz-premie: wet langdurige zorg
Vergrijzing
Dor vergrijzing en de gestegen levensverwachting is de AOW leeftijd van 65 niet langer
betaalbaar. Daarom is het nu 67 jaar.
Waardevast & welvaartsvast
Een uitkering kan waardevast of welvaartsvast zijn
● Welvaartsvaste uitkering: de jaarlijkse stijging van de uitkering is even groot als de
gemiddelde jaarlijkse loonstijging in bedrijven
AOW = Welvaartsvast
, ● Waardevaste uitkering: de koopkracht van de uitkering blijft gelijkt, de uitkering
stijgt dus gelijk aan stijging van inflatie. Gekoppeld aan consumentenprijsindex (CPI)
6.3 Pensioen
Veel pensioengerechtigden hebben naast hun AOW-uitkering ook een aanvulling, meestal
doordat ze in hun werkzame leven gespaard hebben via een pensioenregeling.
ZZP’ers → extra sparen is vrijwillig
● Gedwongen besparing: per bedrijfstak gaat dit via pensioenfondsen. Het sparen is
dan voor werknemers verplicht.
Pensioenuitkering
Pensioenuitkering is geen vervanging, maar een aanvulling op de AOW-uitkering. Een goed
pensioen staat gelijk aan 75% van je gemiddeld loon tijdens jouw loopbaan.
● Pensioen= uitgestelde loon → ruilen over tijd
● Ruilen over tijd: werknemer en werkgever betalen pensioenpremie en krijgen
daarvoor een pensioenuitkering voor terug na het pensioen.
Pensioenfondsen
Ze beheren de betaalde pensioenpremies en betalen uitkeringen. Ze beleggen de
premiegelden
Doel van beleggen → zo’n hoog mogelijk rendement halen. Dit brengt wel risico’s.
● Dekkingsgraad: De dekkingsgraad geeft aan of een fonds voldoende geld in kas
heeft om aan zijn verplichtingen te voldoen, dus of het in staat is om pensioenen uit
te keren.
→ Dekkingsgraad van 100%= het vermogen is net genoeg om alle uitkeringen te betalen
Het vermogen van een pensioenfonds wordt dus gevoed door de ontvangen premies en
opbrengsten van het belegde vermogen
6.4 Vrij sparen voor de oude dag
Als je de AOW en of bedrijfspensioen te laag vindt kan je zelf ook dingen doen
1. Extra sparen: bouwt vermogen op waardoor later een extra uitkering krijgt
2. Vermogen vaststellen
● Op een spaarrekening zetten
● Beleggen in obligaties en of aandelen
● Aflossen van hypotheek op eigen woning
3. Zelf een pensioenverzekering afsluiten: De overheid stimuleert zelfstandigen via
de belastingen om te sparen voor de oude dag: op korte termijn hoeven ze minder
belasting te betalen als ze een deel van de winst reserveren voor hun pensioen