Wat is en hoe werkt het geheugen?
Geheugen: het proces van informatie bewaren:
Coderen: het proces waarbij informatie binnenkomt en waarbij het naar het geheugen wordt
gestuurd.
Opslaan: het proces waarbij informatie wordt opgeslagen in de hersenen.
Ophalen: het proces waarbij we informatie weer terughalen in de hersenen. Herkennen en
herinneren.
Atkinson & Shiffrin model: informatieverwerking:
Sensory input > er gebeurt iets en dat komt binnen in je zintuiglijk geheugen > kortetermijngeheugen >
langetermijngeheugen.
Zintuiglijk geheugen:
Eerste fase.
Informatie verdwijnt na enkele seconden.
Sperling experiment: experiment waarmee werd aangetoond dat het zintuiglijk geheugen informatie
maar heel kort vasthoudt. Er werden 12 tot 16 letters gepresenteerd, voor ongeveer 15 milliseconden,
waaruit bleek dat participanten ongeveer 4 tot 5 van de 12 letters op konden noemen.
Kortetermijngeheugen:
Tweede fase.
Informatie blijft max. 30 seconden.
Experiment met 3-letter stimuli: participanten kregen steeds 3 letters te zien, waarna ze moesten
terugtellen, zodat ze het niet konden oefenen. Hoe langer mensen moesten terugtellen, hoe slechter
ze wisten wat de 3 letters waren die zichtbaar waren.
Langetermijngeheugen:
Laatste, 3e fase.
Impliciet vs. Expliciet geheugen:
Expliciet geheugen: het bewust oproepen van kennis.
Semantische informatie: algemene kennis die geordend is op basis van categorieën.
Episodische informatie: persoonlijke herinneringen uit je eigen gebeurtenissen.
Georganiseerd middels een tijdlijn.
Impliciet geheugen: het onbewust of automatisch oproepen van kennis.
Procedurele herinneringen: informatie over hoe je bepaalde vaardigheden moet uitvoeren.
Klassieke conditionering.
Priming: een verandering in onze reactie op een stimulus door een eerdere ervaring met een
soortgelijke stimulus.
Maintenance vs. Elaboratieve rehearsal:
Maintenance rehearsal: het herhalen van informatie, zodat het in het langetermijngeheugen
komt.
Elaboratieve rehearsal: het koppelen van nieuwe informatie aan informatie die je al had.
Effectiefst.
Het terughalen van informatie uit het geheugen:
Informatie ophalen (retrieval):
Recall: het ophalen van informatie die eerder geleerd is, zonder een retrieval queue, dus zonder
een hint.
Herkennen: het ophalen van informatie door herkenning uit verschillende keuzes.
Relearning: het principe dat je sneller informatie ophaalt als je het voor de tweede keer
bestudeert.
Vergeten: het onvermogen om informatie die eerder wel beschikbaar was op te halen:
Redenen:
Codeer fouten: gebeurt als informatie niet aankomt in je langetermijngeheugen.
Vervaltheorie: we vergeten zaken omdat we ze niet gebruiken.
Ophaalfouten: informatie is wel opgeslagen in je langetermijngeheugen, maar je kunt het niet
ophalen. Vaak doordat de hints er niet meer zijn.
Herinneringen worden verdrongen > interferentie.
Bewust vergeten.
Imperfecte herinneringen: herinneringen die niet kloppen: