40 MC oefenvragen psychologie en wetenschap
1. Vul in: (1) begint met individuele waarnemingen om generalisatie een te produceren
die deze gevallen karakteriseert.
a. Deductie
b. Corrobratie
c. Inductie
d. Homeopathie
2. Waarom verwierp Semmelweis de “slechte lucht-theorie”?
a. Er was geen slechte lucht bij zowel kliniek 1 als kliniek 2
b. Er was zowel slechte lucht bij kliniek 1 als bij kliniek 2
c. Alleen kliniek 1 had last van slechte lucht
d. Alleen kliniek 2 had last van slechte lucht
3. Wanneer kan je een hypothese toetsen? (kies het beste antwoord)
a. Als je er een consequentie uit hebt afgeleid, en je observeert of het gevolg waar is
b. Als je er een conclusie uit hebt afgeleid, en je observeert of het gevolg waar is
c. Als de hypothese specifiek is
d. Als de hypothese globaal is
4. Wat is het verschil tussen LP en positivisme?
a. De visie over het concept ‘empirisme’
b. Het gebruik van theorieën en theoretische concepten
c. De nadruk op observaties of theorieën
d. Het vertrouwen in de wetenschap
5. Welk van onderstaande antwoorden maakte gebruik van een ‘demarcatiecriterium’?
a. Kuhn en Popper
b. Kuhn en Feyerabend
c. Popper en LP
d. LP en Feyerabend
6. Welke van onderstaande antwoorden zijn gebaseerd op deductie?
a. Verklaringen
b. Voorspellingen
c. Zowel a als b zijn juist
d. Zowel a als b zijn onjuist
1. Vul in: (1) begint met individuele waarnemingen om generalisatie een te produceren
die deze gevallen karakteriseert.
a. Deductie
b. Corrobratie
c. Inductie
d. Homeopathie
2. Waarom verwierp Semmelweis de “slechte lucht-theorie”?
a. Er was geen slechte lucht bij zowel kliniek 1 als kliniek 2
b. Er was zowel slechte lucht bij kliniek 1 als bij kliniek 2
c. Alleen kliniek 1 had last van slechte lucht
d. Alleen kliniek 2 had last van slechte lucht
3. Wanneer kan je een hypothese toetsen? (kies het beste antwoord)
a. Als je er een consequentie uit hebt afgeleid, en je observeert of het gevolg waar is
b. Als je er een conclusie uit hebt afgeleid, en je observeert of het gevolg waar is
c. Als de hypothese specifiek is
d. Als de hypothese globaal is
4. Wat is het verschil tussen LP en positivisme?
a. De visie over het concept ‘empirisme’
b. Het gebruik van theorieën en theoretische concepten
c. De nadruk op observaties of theorieën
d. Het vertrouwen in de wetenschap
5. Welk van onderstaande antwoorden maakte gebruik van een ‘demarcatiecriterium’?
a. Kuhn en Popper
b. Kuhn en Feyerabend
c. Popper en LP
d. LP en Feyerabend
6. Welke van onderstaande antwoorden zijn gebaseerd op deductie?
a. Verklaringen
b. Voorspellingen
c. Zowel a als b zijn juist
d. Zowel a als b zijn onjuist