Levensloop (H1 t/m H3.14) + Rekonomie (H2 en H3)
Hoofdstuk 1
○ Economie gaat over het maken van keuzes (alternatieven tegen elkaar afwegen).
○ Economie gaat over de spanning tussen behoeften en middelen.
○ Consumeren: Het kopen van goederen en diensten door de eindgebruiker.
○ Investeren: Het kopen van goederen en diensten om er verder mee te produceren
en winst mee te maken.
○ Zowel bij consumeren als investeren worden producten aangeschaft.
○ Schaarste: De spanning tussen oneindige behoeften en beperkte middelen.
○ Opofferingskosten: De waarde van het beste, niet gekozen, alternatief.
■ Het kan gaan om geld, maar ook bijvoorbeeld om opgeofferde tijd of energie.
○ Budgetvergelijking: Alle combinaties van twee producten die je maximaal met
een gegeven budget en gegeven prijzen van de producten kunt kopen.
○ Bijvoorbeeld: 10= 0,25b + 0,08m
■ 10 = budget in euro’s
■ 0,25 = prijs belminuut in euro’s
■ 0,08 = prijs MB in euro’s
■ b = aantal belminuten
■ m = aantal mb’s
○ Dus als er 40 belminuten zijn, kan ze 0 MB kopen
○ En als ze 125 MB koopt, zijn er 0 belminuten
○
○ Een budgetlijn is altijd een rechte lijn
○ Verandering budget > evenwijdige verschuiving
○ Verandering 1 van de prijzen > verandering van de helling
○ Nominaal: Budget uitgedrukt in euro’s
○ Reëel inkomen: koopkracht (De hoeveelheid goederen en
diensten die je voor dat geld kunt kopen)
, ○ Ric= Nic/Pic
○ Als je Nominale Inkomen stijgt met 25 %, is het indexcijfer van je nominale
inkomen 125
○ Als de prijzen stijgen met 19%, is het prijsindexcijfer 119
○ Het indexcijfer van het reële inkomen is dan 125/119 x 100 = 105
○ Je reële inkomen, dus de koopkracht, is met 5% gestegen.
○ De situatie waarin beslissingen worden genomen, wordt opgevat als een spel.
○ Bij elke zet houd je rekening met de mogelijke tegenzet.
○ In de speltheorie gebruiken we een aantal begrippen die het spel omschrijven.
○ spelers
■ De spelers nemen de beslissingen.
■ Ze handelen rationeel en streven naar een zo hoog mogelijke
uitbetaling.
■ Ze kunnen zich coöperatief of niet-coöperatief gedragen.
○ informatie
■ Symmetrisch: Spelers weten evenveel van elkaar. (Elkaar afstemmen)
○ strategie
■ Een speler kan in verschillende situatie terechtkomen, waarbij elke
situatie kan vragen om een andere keuze of actie.
○ uitbetaling
■ De verwachte opbrengst van een strategie.
○ evenwicht
■ Nash-evenwicht = spelers kunnen hun opbrengst niet verbeteren door
alleen zelf van strategie te veranderen
○ Dominante strategie: De strategie die het meeste oplevert, ongeacht de strategie van
een ander.
○ Coöperatief spelen, leidt vaak voor beide partijen tot een beter resultaat.
○ Als het elkaar niet vertrouwen de overhand heeft is een gevangenendilemma een
niet-coöperatief spel.
○ Als het dilemma vaak wordt herhaald, kunnen de spelers van strategie veranderen.
○ Dan kan er op een gegeven moment een coöperatieve strategie ontstaan.
○ Coöperatieve strategie = tit-for-tat: Waarin de een precies hetzelfde doet als de
ander.
○ Je begint dus met samenwerken, maar als je speler van strategie verandert en niet
meer samenwerkt, straf je die onmiddellijk door ook niet meer samen te werken.
○
Joyce
ruimt op ruimt niet op
Irene ruimt op 40 ; 40 60 ; 60
ruimt niet op 15 ; 70 60 ; 60
○ Joyce en Irene ruimen elke week hun kamer op, als ze beiden opruimen zijn
ze beiden 40 minuten kwijt.
Hoofdstuk 1
○ Economie gaat over het maken van keuzes (alternatieven tegen elkaar afwegen).
○ Economie gaat over de spanning tussen behoeften en middelen.
○ Consumeren: Het kopen van goederen en diensten door de eindgebruiker.
○ Investeren: Het kopen van goederen en diensten om er verder mee te produceren
en winst mee te maken.
○ Zowel bij consumeren als investeren worden producten aangeschaft.
○ Schaarste: De spanning tussen oneindige behoeften en beperkte middelen.
○ Opofferingskosten: De waarde van het beste, niet gekozen, alternatief.
■ Het kan gaan om geld, maar ook bijvoorbeeld om opgeofferde tijd of energie.
○ Budgetvergelijking: Alle combinaties van twee producten die je maximaal met
een gegeven budget en gegeven prijzen van de producten kunt kopen.
○ Bijvoorbeeld: 10= 0,25b + 0,08m
■ 10 = budget in euro’s
■ 0,25 = prijs belminuut in euro’s
■ 0,08 = prijs MB in euro’s
■ b = aantal belminuten
■ m = aantal mb’s
○ Dus als er 40 belminuten zijn, kan ze 0 MB kopen
○ En als ze 125 MB koopt, zijn er 0 belminuten
○
○ Een budgetlijn is altijd een rechte lijn
○ Verandering budget > evenwijdige verschuiving
○ Verandering 1 van de prijzen > verandering van de helling
○ Nominaal: Budget uitgedrukt in euro’s
○ Reëel inkomen: koopkracht (De hoeveelheid goederen en
diensten die je voor dat geld kunt kopen)
, ○ Ric= Nic/Pic
○ Als je Nominale Inkomen stijgt met 25 %, is het indexcijfer van je nominale
inkomen 125
○ Als de prijzen stijgen met 19%, is het prijsindexcijfer 119
○ Het indexcijfer van het reële inkomen is dan 125/119 x 100 = 105
○ Je reële inkomen, dus de koopkracht, is met 5% gestegen.
○ De situatie waarin beslissingen worden genomen, wordt opgevat als een spel.
○ Bij elke zet houd je rekening met de mogelijke tegenzet.
○ In de speltheorie gebruiken we een aantal begrippen die het spel omschrijven.
○ spelers
■ De spelers nemen de beslissingen.
■ Ze handelen rationeel en streven naar een zo hoog mogelijke
uitbetaling.
■ Ze kunnen zich coöperatief of niet-coöperatief gedragen.
○ informatie
■ Symmetrisch: Spelers weten evenveel van elkaar. (Elkaar afstemmen)
○ strategie
■ Een speler kan in verschillende situatie terechtkomen, waarbij elke
situatie kan vragen om een andere keuze of actie.
○ uitbetaling
■ De verwachte opbrengst van een strategie.
○ evenwicht
■ Nash-evenwicht = spelers kunnen hun opbrengst niet verbeteren door
alleen zelf van strategie te veranderen
○ Dominante strategie: De strategie die het meeste oplevert, ongeacht de strategie van
een ander.
○ Coöperatief spelen, leidt vaak voor beide partijen tot een beter resultaat.
○ Als het elkaar niet vertrouwen de overhand heeft is een gevangenendilemma een
niet-coöperatief spel.
○ Als het dilemma vaak wordt herhaald, kunnen de spelers van strategie veranderen.
○ Dan kan er op een gegeven moment een coöperatieve strategie ontstaan.
○ Coöperatieve strategie = tit-for-tat: Waarin de een precies hetzelfde doet als de
ander.
○ Je begint dus met samenwerken, maar als je speler van strategie verandert en niet
meer samenwerkt, straf je die onmiddellijk door ook niet meer samen te werken.
○
Joyce
ruimt op ruimt niet op
Irene ruimt op 40 ; 40 60 ; 60
ruimt niet op 15 ; 70 60 ; 60
○ Joyce en Irene ruimen elke week hun kamer op, als ze beiden opruimen zijn
ze beiden 40 minuten kwijt.