Hoofdstuk 5- Grammatica
De wederkerende werkwoorden / Los verbos reflexivos
Bij een wederkerend werkwoord (zich + werkwoord / verbo + se) gebruik je altijd een
wederkerend werkwoord. (me, te, se, nos, os, es).
Sommige werkwoorden zijn niet wederkerend in het Nederlands, maar wel in het
Spaans. Zoals levantarse (opstaan), despertarse (wakker worden), acostarse
(naar bed gaan), llamarse (heten) en irse (weggaan).
Het wederkerende voornaamwoord staat vóór de persoonsvorm, behalve als er een
heel werkwoord in de zin staat. Dan plak je het direct aan het hele werkwoord: Voy a
levantarme (Ik ga opstaan).
Let op! Ook klinkerwisseling bij wederkerende werkwoorden.
, Werkwoorden die eindigen op -ecer, -ocer en -ucir.
Deze werkwoorden zijn regelmatig, maar bij de 1e persoon enkelvoud verandert de
-c in -zc.
De volgende werkwoorden gaan net zo: aparecer (verschijnen), agradecer
(dankbaar zijn), obedecer (gehoorzamen), reconocer (herkennen), traducir
(vertalen), introducir (introduceren) en producir (produceren).
De trappen van vergelijking / Los grados de comparación
De vergrotende en verkleinende trap maak je met de woorden más en menos. Ze
staan vóór het bijvoeglijk naamwoord. Na het bijvoeglijke naamwoord zet je het woord
que (dan).
De stellende trap maak je met de woorden tan (net zo) + bijvoeglijk naamwoord +
como (als).
Let op! De volgende woorden zijn onregelmatig in de vergrotende trap.
De wederkerende werkwoorden / Los verbos reflexivos
Bij een wederkerend werkwoord (zich + werkwoord / verbo + se) gebruik je altijd een
wederkerend werkwoord. (me, te, se, nos, os, es).
Sommige werkwoorden zijn niet wederkerend in het Nederlands, maar wel in het
Spaans. Zoals levantarse (opstaan), despertarse (wakker worden), acostarse
(naar bed gaan), llamarse (heten) en irse (weggaan).
Het wederkerende voornaamwoord staat vóór de persoonsvorm, behalve als er een
heel werkwoord in de zin staat. Dan plak je het direct aan het hele werkwoord: Voy a
levantarme (Ik ga opstaan).
Let op! Ook klinkerwisseling bij wederkerende werkwoorden.
, Werkwoorden die eindigen op -ecer, -ocer en -ucir.
Deze werkwoorden zijn regelmatig, maar bij de 1e persoon enkelvoud verandert de
-c in -zc.
De volgende werkwoorden gaan net zo: aparecer (verschijnen), agradecer
(dankbaar zijn), obedecer (gehoorzamen), reconocer (herkennen), traducir
(vertalen), introducir (introduceren) en producir (produceren).
De trappen van vergelijking / Los grados de comparación
De vergrotende en verkleinende trap maak je met de woorden más en menos. Ze
staan vóór het bijvoeglijk naamwoord. Na het bijvoeglijke naamwoord zet je het woord
que (dan).
De stellende trap maak je met de woorden tan (net zo) + bijvoeglijk naamwoord +
como (als).
Let op! De volgende woorden zijn onregelmatig in de vergrotende trap.