Werkcollege 5 Europees recht
Opdracht 1:
a) Het vaststellen van wetgevingshandelingen gebeurt in samenspel tussen
drie instellingen: de Commissie, de Raad en het Europees Parlement. Het
basisbeginsel is dat de Commissie het recht van initiatief heeft. Dit wordt
duidelijk uit een lezing van artikel 17 lid 2 Unieverdrag. Als de Europese
Unie exclusief bevoegd is om een bepaalde internationale overeenkomst te
sluiten, dan is het niet toegestaan voor een lidstaat om zelf een verdrag te
sluiten op dat terrein. Artikel 3 van het EU Werkingsverdrag beschrijft de
gebieden waarop de EU exclusief bevoegd is op te treden: de douane-unie;
de vaststelling van mededingingsregels die voor de werking van de interne
markt nodig zijn; het monetair beleid voor de lidstaten die de euro als
munt hebben; de instandhouding van de biologische rijkdommen van de
zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid; de
gemeenschappelijke handelspolitiek. Onderwerpen die tot de gedeelde
bevoegdheden van de Unie en de lidstaten behoren: alle onderwerpen die
niet behoren tot de exclusieve bevoegdheden van artikel 3 EU-
Werkingsverdrag of tot de ondersteunende bevoegdheden van artikel 6 EU-
Werkingsverdrag. Het gaat dan onder meer om gebieden als de interne
markt, sociaal beleid, landbouw en visserij.
a. Bevoegdheidstoedeling:
i. Art. 5 VEU Europese Unie is alleen bevoegd als het staat in
het verdrag. (attributie beginsel)
b. Bevoegdheidsverdeling:
- Exclusief bevoegdheid. (lidstaten mogen niks meer en
alle macht ligt bij de EU). Art. 3: kan ook internationaal
als gevolg van zgn. parallelisme.
- Gedeeld bevoegd (lidstaten en EU samen op een
gebied actief.) Maar ‘Preemption’. Dit houdt in dat de
lidstaten en de EU rekening moeten houden dat ze
beide de bevoegdheid hebben om iets te regelen en
dat ze dus rekening moeten houden dat dit kan botsen.
- Coördinatie en ondersteuning (art. 5 en 6). Dit houdt in
dat de EU weinig macht heeft. Bijv. onderwijs. Lidstaten
vinden dat ze dit zelf helemaal moeten regelen en dat
de EU hier niks over mag zeggen.
c. Bij de gedeelde bevoegdheid kan het dus botsen. Dan wordt er
gekeken via art. 5 lid 3 VEU wie er bevoegd is. Dit houdt in dat
lidstaten bevoegd zijn behalve als de regeling de staten overtreft.
(Subsidiariteitsbeginsel)
d. Evenredigheidsbeginsel (art. 5 lid 4). Op het moment dat de EU een
bevoegdheid heeft, mogen ze het alleen maar uitvoeren zover
noodzakelijk.
Hun bevoegdheidsgrondslag is art. 4 lid 2 sub f Wv jo. art. 6 sub a Wv. Hun
bevoegdheid voor 4 lid 2 sub f staat onder art. 169 Wv en van art. 6 sub a
in art. 168 Wv.
Opdracht 1:
a) Het vaststellen van wetgevingshandelingen gebeurt in samenspel tussen
drie instellingen: de Commissie, de Raad en het Europees Parlement. Het
basisbeginsel is dat de Commissie het recht van initiatief heeft. Dit wordt
duidelijk uit een lezing van artikel 17 lid 2 Unieverdrag. Als de Europese
Unie exclusief bevoegd is om een bepaalde internationale overeenkomst te
sluiten, dan is het niet toegestaan voor een lidstaat om zelf een verdrag te
sluiten op dat terrein. Artikel 3 van het EU Werkingsverdrag beschrijft de
gebieden waarop de EU exclusief bevoegd is op te treden: de douane-unie;
de vaststelling van mededingingsregels die voor de werking van de interne
markt nodig zijn; het monetair beleid voor de lidstaten die de euro als
munt hebben; de instandhouding van de biologische rijkdommen van de
zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid; de
gemeenschappelijke handelspolitiek. Onderwerpen die tot de gedeelde
bevoegdheden van de Unie en de lidstaten behoren: alle onderwerpen die
niet behoren tot de exclusieve bevoegdheden van artikel 3 EU-
Werkingsverdrag of tot de ondersteunende bevoegdheden van artikel 6 EU-
Werkingsverdrag. Het gaat dan onder meer om gebieden als de interne
markt, sociaal beleid, landbouw en visserij.
a. Bevoegdheidstoedeling:
i. Art. 5 VEU Europese Unie is alleen bevoegd als het staat in
het verdrag. (attributie beginsel)
b. Bevoegdheidsverdeling:
- Exclusief bevoegdheid. (lidstaten mogen niks meer en
alle macht ligt bij de EU). Art. 3: kan ook internationaal
als gevolg van zgn. parallelisme.
- Gedeeld bevoegd (lidstaten en EU samen op een
gebied actief.) Maar ‘Preemption’. Dit houdt in dat de
lidstaten en de EU rekening moeten houden dat ze
beide de bevoegdheid hebben om iets te regelen en
dat ze dus rekening moeten houden dat dit kan botsen.
- Coördinatie en ondersteuning (art. 5 en 6). Dit houdt in
dat de EU weinig macht heeft. Bijv. onderwijs. Lidstaten
vinden dat ze dit zelf helemaal moeten regelen en dat
de EU hier niks over mag zeggen.
c. Bij de gedeelde bevoegdheid kan het dus botsen. Dan wordt er
gekeken via art. 5 lid 3 VEU wie er bevoegd is. Dit houdt in dat
lidstaten bevoegd zijn behalve als de regeling de staten overtreft.
(Subsidiariteitsbeginsel)
d. Evenredigheidsbeginsel (art. 5 lid 4). Op het moment dat de EU een
bevoegdheid heeft, mogen ze het alleen maar uitvoeren zover
noodzakelijk.
Hun bevoegdheidsgrondslag is art. 4 lid 2 sub f Wv jo. art. 6 sub a Wv. Hun
bevoegdheid voor 4 lid 2 sub f staat onder art. 169 Wv en van art. 6 sub a
in art. 168 Wv.