Gedrag
1.1 Dierenwelzijn
Gedrag: Alle handelingen van een mens of dier.
● impuls-weg van gedrag: Prikkel → receptor (zintuig) → conductoren (zenuwen) →
centraal zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) → effector (spier/klier) → Gedrag.
Prikkel: Een verandering in het milieu
● Uitwendige prikkel: Iets zien, voelen of horen;
● Inwendige prikkel: hormonen, dorst of honger.
Samen zorgen ze voor gedrag we noemen dit motiverende factoren.
(prikkels moeten sterk genoeg zijn om een bepaalde drempelwaarde te overschrijden)
Gedragssystemen: een samenhangende groep van handelingen.
Gedragsketen: een vaste volgorde van gedragseenheden van een gedragsketen.
1.2 Gedrag bestuderen
We proberen gedrag te
- kwalificeren = wat doet een dier
- kwantificeren = hoe vaak doet een dier iets
Gedrag moet objectief beschreven worden (zonder persoonlijk waardeoordeel.
(Dus niet zeggen “de hond is lief” maar “de hond doet oren iets naar achter een kwispelt met
zijn staart.” Kwispelen met staart = staart heen en weer bewegen.)
Antropomorfisme : Het vermenselijken van gedrag (dom, lief, schattig, lekker,..)
Sleutelprikkel: Een doorslaggevende prikkel die altijd een vast gedrag oplevert (uitwendige
prikkel)
Supernormale/Supranormale prikkel: Overdreven sleutelprikkel.
Ethologie: Wetenschap van natuurlijk gedrag van dieren (kijken naar zichtbaar gedrag)
1.1 Dierenwelzijn
Gedrag: Alle handelingen van een mens of dier.
● impuls-weg van gedrag: Prikkel → receptor (zintuig) → conductoren (zenuwen) →
centraal zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg) → effector (spier/klier) → Gedrag.
Prikkel: Een verandering in het milieu
● Uitwendige prikkel: Iets zien, voelen of horen;
● Inwendige prikkel: hormonen, dorst of honger.
Samen zorgen ze voor gedrag we noemen dit motiverende factoren.
(prikkels moeten sterk genoeg zijn om een bepaalde drempelwaarde te overschrijden)
Gedragssystemen: een samenhangende groep van handelingen.
Gedragsketen: een vaste volgorde van gedragseenheden van een gedragsketen.
1.2 Gedrag bestuderen
We proberen gedrag te
- kwalificeren = wat doet een dier
- kwantificeren = hoe vaak doet een dier iets
Gedrag moet objectief beschreven worden (zonder persoonlijk waardeoordeel.
(Dus niet zeggen “de hond is lief” maar “de hond doet oren iets naar achter een kwispelt met
zijn staart.” Kwispelen met staart = staart heen en weer bewegen.)
Antropomorfisme : Het vermenselijken van gedrag (dom, lief, schattig, lekker,..)
Sleutelprikkel: Een doorslaggevende prikkel die altijd een vast gedrag oplevert (uitwendige
prikkel)
Supernormale/Supranormale prikkel: Overdreven sleutelprikkel.
Ethologie: Wetenschap van natuurlijk gedrag van dieren (kijken naar zichtbaar gedrag)