100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4,6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Moleculaire Biologie (GoO53C)

Rating
-
Sold
1
Pages
46
Uploaded on
10-02-2022
Written in
2021/2022

Samenvatting van de belangrijkste informatie uit de lessen van Moleculaire biologie.

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
February 10, 2022
Number of pages
46
Written in
2021/2022
Type
Summary

Subjects

Content preview

H1: De moleculaire aard van
genen
Geschiedenis
1. 1869: MIESCHER isoleerde nuclei uit etter  vond fosforbevattende substantie (nucleine)
2. Einde van 19e eeuw: DNA en RNA gescheiden van proteïnen
3. 1910 – 1930: LEVENE karakteriseerde compositie van DNA/RNA: fosfaat + (deoxy)ribose
suiker + 4 verschillende bases
 Belang van basensequentie nog niet ingezien
 PROTEINEN, NIET DNA IS HET GENETISCH MATERIAAL
 Tetranucleotide hypothese: fosforgroepen aan elkaar ipv aan de suiker
4. 1928: GRIFFITH deed aan bacteriële transformatie  transformatie van component van
heat-killed virulente strain naar non-virulente strain
5. 1944: AVERY, MACLEOD & MCCARTY vinden dat het getransformeerde materiaal DNA is 
geen virulentie meer na behandeling met DNase
 DNA, NIET PROTEINE IS HET GENETISCH MATERIAAL
6. 1952: HERSHEY & CHASE vinden dat bacteriofaaginfectie van DNA komt  gelabeld S-eiwit
komt niet in cel voor, maar gelabeld P-DNA komt voor in cel
7. 1953: WATSON & CRICK vinden dubbele helixstructuur van DNA

Chemische natuur van nucleïnezuren
 Nucleoside= base + suiker
 Nucleotide= base + suiker + fosfaatgroepen
 FRANKLIN vond helixstructuur van DNA door X-stralendiffractie  data liet repetitieve
structuur zien
 WATSON & CRICK stelden structuur voor als dubbele helix met suiker-fosfaatruggengraat
aan de buitenkant en de bases aan de binnenkant
 Tussen G en C: 3 H-bruggen  vormen major groove (grote afstand tussen suikers)
 Tussen A en T: 2 H-bruggen  vormen minor groove (kleine afstand tussen suikers)

A-helix B-helix Z-helix
Draait rechts Draait rechts Draait links
In dsRNA Meest voorkomend Komt zelden voor
DNA-RNA Chromatine Poly(dGdC)

Nucleinezuur triple-helix
 RNA-molecule met complementariteit aan dubbele DNA-helix laten binden (plaats genoeg in
grote groeve)  geen Watson-Crick, wel Hoogsteen-basepairing
 Kan in parallele en anti-parallele richting
 Rol in chromatine organisatie, DNA repair, transcriptie regulatie en RNA processing

G-quadruplex
 Spontaan gevormd als veel guanine-residues op DNA naast elkaar gelegen zijn + DNA-
polymerase haalt 2 strengen uit elkaar  polymerasen raken erdoor geblokkeerd



1

,EIGENSCHAPPEN IN DNA
 G/C en A/T verhoudingen zijn specifiek per organisme  grote G/C verhouding in
organismen die leven in thermofiele bronnen (steviger aan elkaar)
 Hoog G/C gehalte  hoge smelttemperatuur
 Hoog G/C gehalte hoge densiteit ( DNA scheiding door CsCl2 densiteit gradient
centrifugatie)
 DNA kan gedenatureerd worden door organische solventen (DMSO, formamide), chaotrope
agentia (ureum; neutraliseert H-bruggen), hoge pH (NaOH) en lage zoutconcentratie
(ladingen stoten elkaar af en DNA denatureert)
 Polynucleotideketen hybridizatie: samenvoegen van ssDNA en RNA  northern blotting, S1
mapping, microarrays, FISH
 DNA-grootte meten door elektronenmicroscopie en gelelektroforese
 C-waarde paradox: de genoomgrootte staat los van de complexiteit van individu

Agarose Polyacrylamide
Horizontaal Verticaal
Lage resolutie Hoge resolutie
Natief DNA (niet) denaturerend
100 - >50.000 bp 1-1000 bp
 Kleine fragmenten migreren sneller dan grote fragmenten

DNA renaturation (annealing)
 Afkoelen  complementaire strengen vinden elkaar terug (traag)  ritssluiting (snel)
 DNA kleiner maken door shearing (door sonicatie)  grotere kans dat fragmenten hun
complement terug vinden
 Bij lage zoutconcentratie + bij 20-25 °C

DNA sequencing (Dideoxy chain-termination
sequencing, Sanger)
1. Templatematrijs ssDNA nodig  bindt aan primer die complementair is aan template
2. 4 DNA-bouwstenen en DNA polymerase toevoegen aan staal
3. Radioactief gelabeld ddATP toevoegen (ken geen nieuwe fosfodiesterbinding vormen 
ketenterminatie)
4. Overmaat aan nucleotiden aanwezig  toevallig ddATP ingebouwd  polymerase stopt
5. Bij andere strengen gebeurt stop later/vroeger  collectie fragmenten van verschillende
grootte die eindigen op A
6. Herhalen met ddTTP, ddCTP en ddGTP
7. Elektroforese: fragmenten scheiden met hoge resolutie
8. Bandjes visualiseren met kleurstof
9. Sequentie aflezen van onder naar boven
 NU: capillaire elektroforese (800-1200 basen)


H2: Mechanisme van transcriptie
bij bacteriën
1. RNA polymerase structuur
Ionenuitwisselingschromatografie

2

,  DEAE-cellulose kolom gebruikt voor opzuivering RNA polymerase
 Oplossing eiwitten over kolom gestroomd  - partikels blijven hangen, + gaat erdoor
 - partikels elueren door ionische sterkte te verhogen
 Scheiden volgens grootte met SDS-PAGE

A. RNA polymerase structuur ( Burgess, Travers 1969)

 IEX van E. coli RNA polymerase  SDS-PAGE van A, B en C pieken
 Sigma: specificiteitsfactor + core: katalytische activiteit

B. Transcripti e-(a)symmetrie testen ( Bautz 1969)

 Core enzyme transcribes both DNA
strands
 Without sigma subunit: core enzyme has
basic transcribing ability, lacks specificity



2. Promotoren
C. Nitrocellulose fi lter-binding assay

 Nitrocellulose bindt aan eiwitten, niet
aan ds DNA
 DNA radioactief merken
1. Gemerkt ds DNA verschijnt in filtraat
2. Proteinen blijven aan nitrocellulosemembraan hangen
3. RNApolymerase blijft aan DNA hangen  verschijnt niet in filtraat

D. Binden van RNA polymerase aan promotor ( Hinkle & Chamberlin 1972)

 In vitro binding van gemerkt T7-DNA met holoenzyme/core
 Overschot ongemerkt T7-DNA toevoegen
 Nitrocellulosefilter-binding assay na verschillende periodes
 Holoenzyme bindt DNA sterk
 Core enzyme bindt meer kortstondig

E. Temperatuur en RNA polymerase binding

 In vitro binding van gemerkt T7-DNA met holoenzyme en incubatie bij verschillende T
 RNA polymerase bindt minder aan DNA bij lagere T
 Hogere T promoten RNAP binding (door gemakkelijker DNA smelten)

RNA POLYMERASE/ PROMOTOR BINDING

1. Promotor search: holoenzyme bindt DNA eerst zwak en diffundeert langs DNA
2. Closed promotor complex formation (RPc): complex bindt zwak aan promotor (dsDNA in
gesloten vorm)  lage affiniteit DNA
3. Open promotor complex formation (RPO): holoenzyme smelt DNA bij openen promotor
(polymerase wordt sterk gebonden)

FOOTPRINTING

1. DNA-fragment labelen met radioactieve P-groep

3

, 2. RNA-polymerase toevoegen
3. DNase toevoegen + eiwit verwijderen + DNA denatureren
4. Electroforesefragmenten van verschillende grootte  electroforese
5. Bandenvrije zone: beschermd door eiwit  Sanger

CORE PROMOTER ELEMENTS
A. -10 box (Pribnow box): TAtAaT
B. -35 box: TTGACa
C. UP element: in rRNA  stimuleert transcriptie 30x
 Promoter down mutations= mutations that weaken promoter binding  increased
deviation from consensus sequence
 Promoter up mutations= mutations that strengthen promoter binding  less deviation

3. Transcriptie initiatie
F. Transcripti e initi ati e ( Carpousis 1980)

 In vitro transcriptie van lacUV5 promotor in aanwezigheid gelabeld ATP  denaturerende
PAGE  autoradiografie
 Polymerase begint aan promotor en gaat proefdraaien: produceert abortieve
transcripten

STAPPEN IN TRANSCRIPTIE INITIATIE:

1. Vorming closed promotor complex (RPc): losse binding
2. Omzetting naar open promotor complex (RPO): hechte binding
3. Polymerisatie eerste nucleotiden  polymerase aan promotor (abortieve transcriptie)
4. Promotor clearance: transcript wordt lang genoeg om stabiele hybride te vormen met
templaat
Wanneer komt sigma los van complex?

G. Sigma sti muleert transcripti e initi ati e ( Travers & Burgess 1969)

 In vitro transcriptie van T4 DNA door RNA polymerase core
 Verschillende hoeveelheden σ
 σ stimuleert initiatie en elongatie?
 Elongatie lijdt tot meer C incorporatie
 Rifampicine blockeert initiatie, niet elongatie

H. Reuse of sigma ( Travers & Burgess 1969)

 In vitro transcriptie van T4 DNA door holoenzyme bij lage ionische sterkte (geen RNAP
dissociatie)
 + core (van Rif-resistant RNAP), +/- rifampicin
 σ kan gerecycleerd worden voor initiatie
 rifampicine blokkeert initiatie door met core te interageren

THE σ CYCLE MODEL

 tijdens initiatie: σ kan gerecycleerd worden (σ-cyclus)  core-enzyme laat σ los: dan
geassocieerd met ander core-enzyme
1. Obligate release model: σ dissocieert bij promotor clearance

4

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
freyavandeneynde16 Katholieke Universiteit Leuven
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
142
Member since
3 year
Number of followers
45
Documents
17
Last sold
2 weeks ago

4,3

9 reviews

5
4
4
4
3
1
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their exams and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can immediately select a different document that better matches what you need.

Pay how you prefer, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card or EFT and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions