HOOFDSTUK 3: CELSTRUCTUUR EN –FUNCTIE
Terminologie: duidelijk kunnen omschrijven, een definitie of een synoniem kunnen
geven:
Permeabiliteit van de plasmamembraan(= doorlaatbaarheid)
= eigenschap waardoor precies wordt bepaald welke stoffen het cytoplasma in of uit kunnen gaan
impermeabel: wanneer er niets door het membraan kan
volledig permeabel: wanneer alle stoffen de membraan zonder problemen kunnen passeren
selectief permeabel: sommige stoffen kunnen vrij passeren, anderen worden tegengehouden
bijvoorbeeld: plasmamembranen
Diffussie
= nettoverplaatsing van moleculen van een plaats met relatief hoge concentratie (veel botsingen)
naar een gebied met een relatie lage concentratie (minder botsingen)
OF
De verplaatsing van stoffen vanuit een gebied waar de concentratie relatief hoog is naar een gebied
waar de concentratie lager is. Dit fenomeen vindt plaats tot het concentratieverschil is opgeheven.
Osmose
= de diffusie van water door een semipermeabele membraan als reactie op concentratieverschillen
OF
verplaatsing van water in een oplossing van een lage naar een hoge concentratie doorheen een
wand die niet doorlaatbaar is voor opgeloste stoffen.
osmotische druk: kracht die de verplaatste watermassa uitoefent
Passief proces
= een ion of molecuul wordt door de plasmamembraan getransporteerd zonder dat dit de cel energie
kost
2 types: diffusie (waaronder osmose) en filtratie
Actief proces
= een ion of molecuul wordt door de plasmamembraan getransporteerd die de cel energie kost in de
vorm van ATP
onafhankelijk van concentratieverschillen
enkele ionenpompen zijn uitwisselingspompen
Isotoon
= gelijke concentratie, spanning of osmotische druk
Hypertoon
= concentratie buiten de cel is groter dan in de cel
Hypotoon
= concentratie in de cel is groter dan in de cel
Cytoplasma
= algemene term voor de stoffen in de cel, vanaf de plasmamembraan tot aan de celkern, deze
bevat cytosol en organellen
1
Terminologie: duidelijk kunnen omschrijven, een definitie of een synoniem kunnen
geven:
Permeabiliteit van de plasmamembraan(= doorlaatbaarheid)
= eigenschap waardoor precies wordt bepaald welke stoffen het cytoplasma in of uit kunnen gaan
impermeabel: wanneer er niets door het membraan kan
volledig permeabel: wanneer alle stoffen de membraan zonder problemen kunnen passeren
selectief permeabel: sommige stoffen kunnen vrij passeren, anderen worden tegengehouden
bijvoorbeeld: plasmamembranen
Diffussie
= nettoverplaatsing van moleculen van een plaats met relatief hoge concentratie (veel botsingen)
naar een gebied met een relatie lage concentratie (minder botsingen)
OF
De verplaatsing van stoffen vanuit een gebied waar de concentratie relatief hoog is naar een gebied
waar de concentratie lager is. Dit fenomeen vindt plaats tot het concentratieverschil is opgeheven.
Osmose
= de diffusie van water door een semipermeabele membraan als reactie op concentratieverschillen
OF
verplaatsing van water in een oplossing van een lage naar een hoge concentratie doorheen een
wand die niet doorlaatbaar is voor opgeloste stoffen.
osmotische druk: kracht die de verplaatste watermassa uitoefent
Passief proces
= een ion of molecuul wordt door de plasmamembraan getransporteerd zonder dat dit de cel energie
kost
2 types: diffusie (waaronder osmose) en filtratie
Actief proces
= een ion of molecuul wordt door de plasmamembraan getransporteerd die de cel energie kost in de
vorm van ATP
onafhankelijk van concentratieverschillen
enkele ionenpompen zijn uitwisselingspompen
Isotoon
= gelijke concentratie, spanning of osmotische druk
Hypertoon
= concentratie buiten de cel is groter dan in de cel
Hypotoon
= concentratie in de cel is groter dan in de cel
Cytoplasma
= algemene term voor de stoffen in de cel, vanaf de plasmamembraan tot aan de celkern, deze
bevat cytosol en organellen
1