Ml: unit 4:
Vertaling unit 4:
Charisma - natuurlijke uitstraling
Dedication - toewijding
Discipline – discipline
Drive – drijfveer
Imagination – verbeelding
Looks – uiterlijk
Luck – geluk
Money – geld
Nepotism – vriendjespolitiek
Ruthlessness – wreedheid
Exotic holidays – exotische vakanties
Designer clothes – merkkelding
Pedigree pets – stamboon huisdier
Trophy partner media –
Cosmetics surgery – plastice chirurgie
Expensive jewellery – dure juwelen
Luxury home(s) – luxewoningen
Domestic help – huishoudelijke hulp
Chauffeuer-driven car(s) – chauffeur aangedreven auto
Mixing with famous people – mengen met beroemde mensen
Exclusieve club membership – exclusief clublidmaatschap
Having your name in the – gastenlijst staan
Brand – merk
Customer – klant
Headquarters – hoofdkantoor
Innovation – innovatie
Leader – leider
People – mensen
Profit – winst
Shares – aandelen
Subsidiaries – dochterondernemingen
Workforce – personeel
Present simple
Is de tegenwoordige tijd. Het werkwoord is anders na he she en it. We voegen geen s toe aan
hoofdwerkwoord in vragen en negatieve tijd. Word het meeste gebruikt.
Present continuous
Gebruik je als je praat over dingen die in dezelfde tijd gebeuren als we praten. De spelling veranderd
in de -ing vorm. Woord ook gebruikt in tijdelijke situaties
, Subject + am/is/are + ing postitief
Subject + am not/ is not/ are not + ing negatief
Am/is/are + subject + ing vragend
Present simple or continuous
Present simple:
- Permanente situaties; dingen waarvan we niet verwachten dat ze gaan veranderen
- Regelmatige handelingen, gewoonten en routines
- Dingen beschrijven in een boek, game of film
Present contiunous:
- Tijdelijke situaties, voor een bepaalde tijd
- Dingen die gebeuren om dezelfde tijd als dat we spreken
- Iets dat verandert
- Beschrijven wat er gebeurt in een foto of op een telefoon
Action verbs: beschrijft een actie kan in normaal gesproken in beide vormen.
State verbs: beschrijven situaties in plaats van acties, wijze van denken of voelen. Worden meestal
alleen gebruikt in de present simple vorm
Past simple
Voor een serie of acties en voor acties die iets anders onderbreken.
Voor afgeronde acties in het verleden.
Regular subject + ed
Irregular verbs :
Find = found Know = knew
Get = got See = saw
Go = went Think = thought
Negative form: did not + verb
De past form of the verb be : was/where
Past perfect
Je gebruikt de past perfect (had + voltooid deelwoord) wanneer je meerdere momenten in het
verleden bespreekt. De past perfect gebruik je dan voor dat wat het langst geleden is en de past
simple voor dat wat minder lang geleden heeft plaatsgevonden.
Unit 9 ml:
Blz. 150 voor grammatica uitleg.
Vertaling unit 9