o Sensibele waarnemingen
o Bewegingen
o Handhaving van homeostase
o Regulering van adaptief gedrag
o Voortplanting
de drie hoofd type cellen van het zenuwstelsel benoemen samen met hun functie
o Neuronen
Zorgen ervoor dat er met andere neuronen gecommuniceerd kan worden of andere
cellen activeren d.m.v kleine elektrische signalen
o Oligodendrocyten
Zorgen voor de myelineschede dat dient als isolatie om het signaal snel voort te laten
bewegen
o Astrocyten
Bieden een fysieke steun en dragen bij aan de instant houding van het interne milieu
o
de grove opbouw van het zenuwstelsel benoemen (anatomie)
o Centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg)
o Perifere zenuwstelsel (zenuwen die hersenen en ruggenmerg uittreden)
, o
de relatie tussen het medulla spinalis en wervelkolom te benoemen (anatomie)
De medulla spinalis is korter dan de wervelkolom, omdat de wervelkolom sneller groeit tijdens
embryonale ontwikkeling dan de medulla spinalis.
o Bij een lumbale punctie wordt cerebrospinaalvloeistof afgenomen. Het wordt afgenomen door
een naald in te brengen tussen de 3e en 4e lumbale wervel of tussen de 4e en 5e lumbale wervel.
Specifiek hier omdat op dit niveau de cauda equina zit en geen medulla spinalis. Hierdoor kan
je met een beperkt risico een naald inbrengen zonder schade aan te brengen aan de medulla
spinalis. Er wordt verondersteld dat de zenuwwortelen die in het cerebrospinaal vloeistof
liggen door de naald opzij worden geduwd.
o
De anatomie van het ruggenmerg en de lumbale wervelkolom te herkennen en te
benoemen op anatomische tekeningen/figuren
o Facetgewrichten / Booggewrichten