Werkwoorden haben, sein & werden
Haben sein werden
ich habe ich bin ich werde
du hast du bist du wirst
er hat er ist er wird
wir haben wir sind wir werden
ihr habt ihr seid ihr werdet
Sie/sie haben Sie/sie sind Sie/sie werden
Modale werkwoorden
Persoon dürfen können mögen müssen
mogen kunnen houden van, lusten moeten
ich darf kann mag muss
du darfst kannst magst musst
er/sie/es darf kann mag muss
wir dürfen können mögen müssen
ihr dürft könnt mögt müsst
Sie/sie dürfen können mögen müssen
Volt dw gedurft gekonnt gemocht gemusst
Persoon sollen wollen wissen
moeten willen weten
ich soll will weiß
du sollst willst weißt
er/sie/es soll will weiß
wir sollen wollen wissen
ihr sollt wollt wisst
Sie/sie sollen wollen wissen
Volt dw gesollt gewollt gewusst
Uitgangen
Regelmatige werkwoorden
Persoon -en
ich e
du st
er/sie/es t
wir en
ihr t
Stam eindigt op d of t
Persoon -en
Ich e
Du est
Er/sie/es et
Wir en
Ihr et
sie/Sie en
1
, Stam eindigt op s, z, ß, ss
Persoon -en
Ich e
Du t
Er/sie/es t
Wir en
Ihr t
sie/Sie en
Voltooid deelwoord
Standaard = ge + stam + t
s-klank = ge + stam + t
d of t = ge + stam + et
Gehen = gegangen
Sein = gewesen
Haben = gehabt
Eindigd stam op d of t dan krijg je een extra e bij du/er/sie/es/ihr en voltooid deelwoord
Correcte woordvolgorde
Voltooid deelwoord bij een hoofdzin altijd aan het einde.
Persoonsvorm bij een bijzin altijd aan het einde
Voorzetsels
Nach → bij landen zonder een lidwoord en richtingen
Nog wat grammatica
- Dass, das: das gebruik je voor een bijzin. Dus gebruik je als je verwijst naar een
persoon/ding.
- Nach, zu: nach is voor plaatsnaam met een hoofdletter. Zu is voor alle overige.
Moeilijke zinsconstructies
- Sondern = maar,
Als er een heldere tegenstelling is. Ich kaufe keinen Computer, sonders einen
Laptop.
- Aber = maar
Alle overige gevallen. Das ist mein iPod, aber im Moment is er kaputt.
- Wenn = als/indien
Let op de plaats van het werkwoord. Ich komme bei dir vorbei, wenn ich meine Arbeit
fertig habe.
- Dass = dat
Koppelt een hoofdzin en een bijzin, let op komma. Willst du sagen, dass du morgen
kommt?
- Ob = of
Let op de positie van het werkwoord. Ich weiß nicht ob ich morgen kommen kann.
- Oder = of
Geeft een keuze aan. Möchtest du Tee oder Kaffee?
- Weil = omdat
Geef reden aan, let op positie werkwoord, werkwoord achter bijzin. Ich bin krank, weil
ich zu wenig geschlafen habe.
- Denn = omdat
2