HC 5.1 – Kenmerken van de Belgische staat
Grondbeginselen van de Belgische staat
Keuzes nationaal congres
1. Rechtstaat
Overheden + burgers zijn gebonden door democratie
Overheidsmacht is beperkt door de mensenrechten
Onafhankelijke rechtscolleges controleren naleving van rechtsregels,
beschermen burgers tegen onwettig optreden
Hoofddoel: voorkomen van machtsmisbruikµ
2. Representatieve & parlementaire democratie
Bevolking maakt zelf niet wetgeving, ze kiezen parlementsleden en
vertrouwt dat zij kwalitatieve wetten zullen maken. Niet eens:
mogelijkheid om bij volgende verkiezing een andere lid kiezen.
Uitbreiding van kiezerspubliek. Vroeger: cijnskiesstelsel.
Opkomstplicht: iedereen verplicht om te gaan, maar niet verplicht te
stemmen
Bepaalde vreemdelingen kunnen stemmen voor
gemeenteraadsverkiezingen
3. Monarchie
Staatshoofd= koning(in). Via erfopvolging: eerstgeboorterecht (art.
85 GW).
Onschendbaar & onverantwoordelijk: niet politiek verantwoordelijk
en geen rechtszaak tegen hem, maar kleine macht (niet alleen
handelen, met minister)
‘De koning’ = ‘de regering’
4. Scheiding der machten (trias politica)
Machtsmisbruik voorkomen
Art 101 GW
BELANGRIJK 2 Evoluties:
1. Bevoegdheidsoverdracht naar inter- en supranationale organisaties
2. Verdeling bevoegdheid over deelstaten
, HC 5.2
De 3 machten – Scheiding der machten
Montesqieu: Voorstander scheiding der machten: elkaar controleren +
samenwerken
Scheiding = algemeen rechtsbeginsel staat niet letterlijk in de wetboeken
WETGEVENDE MACHT
Wetten maken
: kamer van Volksvertegenwoordigers, Senaat & Koning (=federale
regering, want koning is onverantwoordelijk en onaansprakelijk, weinig macht)
art 36 GW
De Kamer heeft meer macht, want de Senaat heeft een kleine rol. Afschaffing van
de Senaat vraagt een Grondwetswijziging (complex), die nog niet heeft
plaatsgevonden.
Kamer van volksvertegenwoordigers:
- Rood, 150 leden (vroeger minder want bevolking was kleiner)
- Rechtstreeks verkozen om de 5 jaar (door ons). Vroeger: enkel mannen en
stapsgewijs is het kiespubliek uitgebreid. 1948: vrouwenstemrecht. 1981:
stemplicht vanaf 18 jaar
- Onderverdeeld in taalgroepen: Nederlandstalige & Franstalige
- Mandaat (job) van 5 jaar om te verkiezen
Senaat:
- 2014: Assemblee van deelstaten
- 60 senatoren: 50 deelstaatssenatoren (aangeduid door
deelstaatparlementen adhv kiezingsuitslagen) + 10 gecoöpteerde
senatoren (gekozen door senatoren= iemand met expertise militair,
politiek).
- Mandaat tot vernieuwing deelstaatparlement: mandaat van de
deelstaatsenatoren is ook mandaat van de 10 gecoöpteerde.
Nu proberen ze senaat af te schaffen. Hun functies gaan dan naar de
kamer.
- Ontmoetingsplaats voor de deelstaten geworden
Beschermingsmechanismen:
1. Parlementaire onverantwoordelijkheid: Als parlementslid heb je
absolute vrijheid van meningsuiting voor wat je in je functie zegt; buiten je
job niet.
2. Onschendbaarheid: Tijdens je mandaat kun je niet strafrechtelijk
vervolgd worden, behalve bij betrapping op heterdaad of als het parlement
je onschendbaarheid opheft.
Grondbeginselen van de Belgische staat
Keuzes nationaal congres
1. Rechtstaat
Overheden + burgers zijn gebonden door democratie
Overheidsmacht is beperkt door de mensenrechten
Onafhankelijke rechtscolleges controleren naleving van rechtsregels,
beschermen burgers tegen onwettig optreden
Hoofddoel: voorkomen van machtsmisbruikµ
2. Representatieve & parlementaire democratie
Bevolking maakt zelf niet wetgeving, ze kiezen parlementsleden en
vertrouwt dat zij kwalitatieve wetten zullen maken. Niet eens:
mogelijkheid om bij volgende verkiezing een andere lid kiezen.
Uitbreiding van kiezerspubliek. Vroeger: cijnskiesstelsel.
Opkomstplicht: iedereen verplicht om te gaan, maar niet verplicht te
stemmen
Bepaalde vreemdelingen kunnen stemmen voor
gemeenteraadsverkiezingen
3. Monarchie
Staatshoofd= koning(in). Via erfopvolging: eerstgeboorterecht (art.
85 GW).
Onschendbaar & onverantwoordelijk: niet politiek verantwoordelijk
en geen rechtszaak tegen hem, maar kleine macht (niet alleen
handelen, met minister)
‘De koning’ = ‘de regering’
4. Scheiding der machten (trias politica)
Machtsmisbruik voorkomen
Art 101 GW
BELANGRIJK 2 Evoluties:
1. Bevoegdheidsoverdracht naar inter- en supranationale organisaties
2. Verdeling bevoegdheid over deelstaten
, HC 5.2
De 3 machten – Scheiding der machten
Montesqieu: Voorstander scheiding der machten: elkaar controleren +
samenwerken
Scheiding = algemeen rechtsbeginsel staat niet letterlijk in de wetboeken
WETGEVENDE MACHT
Wetten maken
: kamer van Volksvertegenwoordigers, Senaat & Koning (=federale
regering, want koning is onverantwoordelijk en onaansprakelijk, weinig macht)
art 36 GW
De Kamer heeft meer macht, want de Senaat heeft een kleine rol. Afschaffing van
de Senaat vraagt een Grondwetswijziging (complex), die nog niet heeft
plaatsgevonden.
Kamer van volksvertegenwoordigers:
- Rood, 150 leden (vroeger minder want bevolking was kleiner)
- Rechtstreeks verkozen om de 5 jaar (door ons). Vroeger: enkel mannen en
stapsgewijs is het kiespubliek uitgebreid. 1948: vrouwenstemrecht. 1981:
stemplicht vanaf 18 jaar
- Onderverdeeld in taalgroepen: Nederlandstalige & Franstalige
- Mandaat (job) van 5 jaar om te verkiezen
Senaat:
- 2014: Assemblee van deelstaten
- 60 senatoren: 50 deelstaatssenatoren (aangeduid door
deelstaatparlementen adhv kiezingsuitslagen) + 10 gecoöpteerde
senatoren (gekozen door senatoren= iemand met expertise militair,
politiek).
- Mandaat tot vernieuwing deelstaatparlement: mandaat van de
deelstaatsenatoren is ook mandaat van de 10 gecoöpteerde.
Nu proberen ze senaat af te schaffen. Hun functies gaan dan naar de
kamer.
- Ontmoetingsplaats voor de deelstaten geworden
Beschermingsmechanismen:
1. Parlementaire onverantwoordelijkheid: Als parlementslid heb je
absolute vrijheid van meningsuiting voor wat je in je functie zegt; buiten je
job niet.
2. Onschendbaarheid: Tijdens je mandaat kun je niet strafrechtelijk
vervolgd worden, behalve bij betrapping op heterdaad of als het parlement
je onschendbaarheid opheft.