100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4,6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting - Internationaal en Europees recht ( IER2031)

Rating
-
Sold
-
Pages
42
Uploaded on
29-01-2026
Written in
2024/2025

Hierbij een uitgebreide en complete samenvatting van het vak Internationaal en Europees recht. Ik heb voor dit vak zelf een 8,6 gehaald, mede door deze gemaakte samenvatting. De samenvatting bevat schema's, stappenplannen, veel voorbeeldcasussen en de uitwerking van belangrijke arresten. De samenvatting is als volgt ingedeeld: Bijeenkomst 1.1: Subjecten van Internationaal Recht Bijeenkomst 1.2: Bronnen van Internationaal Recht Bijeenkomst 2.1: Rechtsmacht & Immuniteit Bijeenkomst 2.2: Staatsaansprakelijkheid en het Internationaal Gerechtshof Bijeenkomst 3.1: Introductie Mensenrechten Bijeenkomst 3.2: Mensenrechten in de Praktijk Bijeenkomst 4.1: Tegenmaatregelen in het Internationale Recht Bijeenkomst 4.2: Europees recht: Wetgeving en Rechtsbescherming Bijeenkomst 5.1: Europees Recht: Rechtsbescherming: artikel 263 VWEU Bijeenkomst 5.2: Interne Markt I: Goederen - kwantitatieve beperkingen Bijeenkomst 6.1: Interne Markt II: Personen: toegang en verblijf Bijeenkomst 6.2: Interne Markt III: Personen: gelijke behandeling Bijeenkomst 7.1: Interne Markt IV: Diensten en Vestiging Bijeenkomst 7.2: Interne Markt V: Mededingingsrecht

Show more Read less
Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
January 29, 2026
Number of pages
42
Written in
2024/2025
Type
Summary

Subjects

Content preview

Internationaal en Europees recht semester 3
Bijeenkomst 1.1: Subjecten van Internationaal Recht
• Beheers je de criteria waaraan entiteiten moeten voldoen willen ze een staat zijn.
• Beheers je de discussie over de problematiek over het recht op zelfbeschikking en de interactie daarmee
met het vierde Montevideo-criterium inclusief de rol van erkenning daarop.
• Beheers je de criteria om te bepalen of andere entiteiten dan staten internationaalrechtelijke rechtspersonen
zijn, inclusief de impact van de jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof daarop.

Wanneer word je als entiteit gezien als een staat?
Criteria uit het Verdrag van Montevideo art. 1.
⁃ Hebben van een afgebakend territorium
⁃ Het hebben van een bevolking
⁃ Hebben van een regering
⁃ Het aan kunnen gaan van relaties met andere staten


Kosovo Advisory Opinion
In paragraaf 81 van het Kosovo-advies bespreekt het Hof situaties waarin
onafhankelijkheidsverklaringen als illegaal worden beschouwd, bijvoorbeeld als ze voortkomen uit
ernstige schendingen van het internationaal recht (zoals het gebruik van geweld of schending van jus
cogens). Het Hof suggereert dat in zulke gevallen staten worden aangemoedigd om geen erkenning te
verlenen, maar het legt geen bindende juridische plicht op.


Recht op zelfbeschikking
Zelfbeschikking voor een staat betekent het recht van een volk om vrij zijn eigen politieke,
economische, sociale en culturele bestemming te bepalen zonder inmenging van andere staten (zie
art. 1 IVBPR of IVECR). Je kan dus zelfbeschikking op externe wijze gebruiken door onafhankelijkheid
uit te roepen en je af te scheiden van een staat. Het moet echter niet leiden tot het ingaan tegen de
territoriale integriteit van de moederstaat.

Annexatie
Betekent dat een land een gebied van een ander land bij zichzelf voegt. Meestal gebeurt dat met
geweld, maar soms ook op een vreedzame manier. Het gebied wordt dan blijvend onderdeel van het
land en valt voortaan onder de wetten van dat land. Het woord kan ook gewoon betekenen dat iemand
land in bezit neemt.

Taak 1: De wil van het volk
1. Mag een referendum over onafhankelijkheid onder het internationaal recht?
Ja, een referendum mag altijd maar betekent niet meteen altijd dat het rechtsgeldig is en heeft
soms ook toestemming van de moederstaat nodig. In principe mag zo’n dus referendum gewoon.
Maar het organiseren van een referendum is niet voldoende voor het vormen van een staat en wil
ook niet meteen zeggen dat de Krim onderdeel is van Rusland.
2. Kan Rusland de Krim zomaar naar zich toe trekken?
Moederstaat was Oekraïne, en je mag niet binnen de grenzen van je moederstaat treden. Rusland
heeft de territoriale integriteit geschonden door de grenzen te laten verschuiven. Art. 2 lid 4 VN-
Handvest, hier zie je heel goed dat die integriteit veel voorkomt en dat je als staat het recht hebt om
grenzen en je grondgebied te verdedigen. Als jij als andere staat komt en zegt, vanaf vandaag is dit
van ons, dan ga je tegen de moederstaat en tegen die grenzen in. Dan schend je de territoriale
integriteit.

,Reparations for Injuries SuWered in the Service of the United Nations, ICJ, Advisory Opinion, 1949.
Het ICJ bepaalde in dit advies dat internationale organisaties, zoals de VN, zelfstandig
rechtspersoonlijkheid in het internationaal recht hebben. Deze rechtspersoonlijkheid komt voort
uit de doelstellingen en werking van de VN en maakt het mogelijk dat de organisatie zelf claims
indient tegen staten die schade veroorzaken aan haar agents tijdens de uitvoering van hun functie.
Een ‘agent’ is iedereen die in dienst is van de organisatie en functies uitvoert, betaald of onbetaald,
tijdelijk of vast. De VN kan claims indienen ongeacht de nationaliteit van het slachtoWer. Dit geldt
ook als de verantwoordelijke staat geen lidstaat van de VN is.

Het ICJ-advies bevestigt dat er geen exclusiviteit is: zowel de organisatie als de staat van herkomst
kunnen onafhankelijk van elkaar claims indienen, er is overleg nodig, geen van beide heeft
prioriteit, ze moeten samen gewoon overleggen en wie denkt dat er meer slagingskans heeft.


Rechtspersoonlijkheid (VN)
- Volledige/objectieve rechtspersoonlijkheid: kunnen alles doen, verdragen sluiten, lid worden
bij organisaties etc. Je hebt rechten en plichten onafhankelijk van andere situaties en staten.
- Beperkte rechtspersoonlijkheid: rechten en plichten zijn afhankelijk van de relatie met een
andere staat of entiteiten.
- Een bevrijdingsbeweging die niet wordt erkent heeft geen internationale rechtspersoonlijkheid,
tegen hen kan dan ook geen claim worden ingediend.


Bijeenkomst 1.2: Bronnen van Internationaal Recht
• Beheers je de bronnen van het internationale recht, hun onderlinge verhouding, hun eventuele hiërarchie en
omstandigheden die hierop betrekking hebben,
• Beheers je met name de criteria van het Internationaal Gewoonterecht en de jurisprudentie waar dit op gebaseerd
is. Je beheerst de regels over regionaal gewoonterecht, instant gewoonterecht en de regels omtrent zogenaamde
persistent objectors.
• Beheers je de regels omtrent voorbehouden in het Verdragen recht - met name de zogenaamde self-executive
voorbehouden. Daarnaast beheers je de regels omtrent de gevolgen van voorbehouden en de invloed die deze
hebben op verdragsrelaties tussen Staten.



The North Sea Continental Shelf Cases, ICJ, 1969.
De North Sea Continental Shelf zaak ging over Nederland, Denemarken en Duitsland die het niet
eens werden over de methode om de grenzen van het continentale plat in de Noordzee te bepalen:
Nederland en Denemarken wilden de equidistantielijn gebruiken, Duitsland zag dat anders. Het
Hof bepaalde dat een regel pas internationaal gewoonterecht is als er sprake is van voldoende
statenpraktijk die breed, uniform en door direct betrokken staten (specialy eWected states) wordt
gevolgd, en als staten dit doen uit een gevoel van juridische verplichting (opinio juris), dus niet
alleen uit gewoonte of gemak. Het norm-creërend karakter van de regel (dat het niet slechts een
contractuele afspraak is), de duur en consistentie van de praktijk, en overtuiging van juridische
gebondenheid zijn de essentiële voorwaarden volgens het Hof (belangrijk: paragrafen 70-81 van
het arrest). In deze zaak was er uiteindelijk geen sprake van een gewoonterechtelijke regel omdat er
niet genoeg bewijs was van de opinio juris, net alsin de Lotus-zaak. Duitsland hoefde het
gelijkafstandsbeginsel dus niet te volgen.

, The Case of the SS Lotus, PICJ, 1927.
De SS Lotus-zaak betrof een botsing in 1926 op volle zee tussen een Frans schip (SS Lotus) en
een Turks schip, waarbij Turkse bemanningsleden omkwamen. Turkije vervolgde de Franse
wachtoWicier die verantwoordelijk was, wat tot een juridisch geschil leidde over jurisdictie:
Frankrijk betoogde dat alleen het land van vlagvoering (Frankrijk) jurisdictie had, Turkije stelde
dat het ook jurisdictie kon uitoefenen vanwege de gevolgen voor Turkse burgers. Het Hof van
oordeelde dat staten in principe vrij zijn om jurisdictie uit te oefenen, tenzij er een internationale
regel is die het verbiedt; er geldt dus geen exclusief recht van lidstaat van vlag, en Turkije mocht
de zaak vervolgen, omdat het internationaal recht geen algemeen verbod kent tegen zulke
acties zonder uitdrukkelijke toestemming van staten.


Case Concerning Military and Paramilitary Activities in and Against Nicaragua, ICJ, 1986.
De zaak Military and Paramilitary Activities in and Against Nicaragua (1986) betrof een conflict
waarbij Nicaragua de Verenigde Staten beschuldigde van schending van internationaal recht,
ook op basis van gewoonterecht, naast verdragsrecht.
Het Hof overwoog dat het verbod op het gebruik van geweld niet alleen in het VN-Handvest is
gecodificeerd, maar daarnaast een regel van internationaal gewoonterecht vormt. Het Hof
stelde dat verdragsrecht en gewoonterecht naast elkaar bestaan en ook inhoudelijk kunnen
verschillen, waardoor gewoonterecht niet genegeerd mag worden, ook als een kwestie
gecodificeerd is in een verdrag.
Belangrijk is dat gewoonterecht volgens het Hof bestaat uit een algemene en consistente
staatspraxis, gecombineerd met een overtuiging van juridische verplichting (opinio juris). Alleen
een opinio juris of statenpraktijk is niet genoeg.



Taak 4: Kakapo
Eunomia Probleem: ontbrekende parlementaire toestemming bij ratificatie en claimen dus niet
gebonden te zijn aan het verdrag
• Art. 46 WVV: Interne schending kan niet worden gebruikt om een verdrag ongeldig te
verklaren, tenzij: 1) strijdigheid is onmiskenbaar, 2) regel van fundamenteel belang.
Strijdigheid is onmiskenbaar als dit voor elke staat duidelijk is. à Parlementaire toestemming
ontbrak, maar dit is niet onmiskenbaar voor andere staten. Het is niet een regel van
fundamenteel belang zoals een grondwettelijk verbod.
• Art. 7 lid 2 sub a WVV à premier mag wel verdragen sluiten, omdat hij op grond van dit artikel
de volmacht heeft.
• Conclusie: Eunomia is gebonden aan het verdrag en dus ook aan het verbod omdat de
premier het verdrag onder het IR geldig heeft geratificeerd.

Aphoria Probleem: Verdrag ondertekend door staatssecretaris die alleen mandaat had
voor onderhandeling, niet voor sluiting. Regering ontkent verplichtingen uit handelingen van
staatssecretaris.
• Art. 7 WVV: wie verdragen mag sluiten moet over “volmachten” beschikken (tenzij duidelijk in
functie, zoals staatshoofd, regeringsleider of minister van buitenlandse zaken). Een
staatssecretaris met mandaat voor onderhandeling maar niet voor ondertekening (geen
volmacht) à onvoldoende bevoegdheid.
• Art. 8 WVV: handelingen verricht zonder volmacht zijn slechts geldig indien achteraf door de
staat bekrachtigd. à Aphoria ontkent later elke verplichting, dus geen bekrachtiging achteraf.
• Conclusie: Aphoria was nooit geldig lid van het verdrag. Geen verdragsbinding.

, Fantasia Probleem: voorbehoud bij ratificatie en latere toepassing
• Fantasia verklaarde zich alleen gebonden "als kakapo nog met uitsterven bedreigd zijn". Dit
lijkt een voorbehoud ex art. 2 lid 1 sub d WVV.
• Art. 19 WVV: voorbehouden zijn toelaatbaar tenzij:
- het verdrag ze verbiedt;
- het verdrag slechts bepaalde voorbehouden toestaat;
- het voorbehoud onverenigbaar is met het object & doel van het verdrag.
• Een voorbehoud dat de verplichting laat vervallen zodra een staat zélf vindt dat de soort niet
meer bedreigd is, ondermijnt niet het object & doel van het verdrag.
• Conclusie: Voorbehoud geldig.

Gevolgen (art. 20 en 21 WVV) à altijd eerst naar 20 kijken, dan pas naar 21
• Mondavia aanvaardde à verdrag werkt mét het voorbehoud tussen Fantasia en Mondavia.
(Art. 20 lid 4 sub a en art. 21 lid 1 WVV)
• Eunomia verwierp à 20 lid 4 sub b WVV (je kan kiezen tussen afwijzen en dan zijn de
bepalingen waarop het voorbehoud betrekking heeft niet van toepassing, maar ook zeggen
afwijzen en ik wil helemaal geen verdragsrelatie). Art. 21 lid 3 WVV, afwijzen en dan zijn de
bepalingen waarop het voorbehoud betrekking heeft niet van toepassing. Kijk eerst naar art.
20 WVV en dan pas naar het juridische gevolg, dus in dit geval art. 21 WVV.
• Andere staten zwegen à dan geldt in beginsel acceptatie (art. 20 lid 5 en art. 21 lid a en b
WVV).


Uitleg artikel 21 WVV:
Sub a: in die bilaterale relatie wordt het verdrag gelezen met de aanpassing van het voorbehoud erin.
Sub b: Hoewel dat de staat die het voorbehoud maakt zegt van, we willen het zo interpreteren, bij
acceptatie wordt dat tweedelig. Dat betekent dat ook de partij die het voorbehoud heeft geaccepteerd
ten opzichte van de staat die het voorbehoud heeft gemaakt, dat voorbehoud kan inroepen.
Lid 2: Als Nederland een multilateraal verdrag heeft met 153 partijen, hebben zij eigenlijk 152
bilaterale relaties. Als België dan bijvoorbeeld een voorbehoud accepteert van Nederland dat geldt
dat tussen hun, maar bijvoorbeeld niet tussen België en Spanje.
Lid 3: de bepalingen die betrekking hebben op het voorbehoud worden buiten toepassing gelaten
tussen de twee staten.

Bronnen van het internationaal recht (art. 38 IGH-statuut)
1. Verdragen
Traditioneel gesloten tussen staten maar kan ook door internationale organisaties zoals de EU. Een
verdrag is een meerzijdige rechtshandeling. Je hebt bilaterale verdagen (tussen twee entiteiten) en
multilaterale verdagen (tussen meerdere entiteiten). Je hebt ook verdagen waar later nog tot kan
worden toegetreden of die alleen maar over inhoud gaan. Het idee is dat rechtssubjecten van het IR
zich willens en wetens binden aan zo een verdrag.

2. Internationaal gewoonterecht
Twee criteria wil een regel gewoonterecht zijn:
⁃ Algemene consistente uniforme statenpraktijk, staten moeten zich gedragen conform die regel
waarvan je probeert te bewijzen dat dat een gewoonterecht is. Dat is dus niet na twee
gedragingen, maar algemene consistente uniforme gedragingen. Maar alleen gedragingen zijn
niet genoeg om te zeggen dat er sprake is van gewoonterecht.
⁃ Er moet sprake zijn van opinio juris. Een rechtsovertuiging, staten moeten dat consistentste
algemene uniforme gedrag tonen omdat zij ervan overtuigd zijn dat zij juridisch dat gedrag
moeten vertonen. Dat er sprake is van een rechtsovertuiging om dat verdrag te vertonen. Je zult
dus opzoek moeten naar bewijsmateriaal voor die opinio juris.
R186,69
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
charlottewatervoortt

Get to know the seller

Seller avatar
charlottewatervoortt Maastricht University
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
New on Stuvia
Member since
4 weeks
Number of followers
0
Documents
1
Last sold
-

0,0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their exams and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can immediately select a different document that better matches what you need.

Pay how you prefer, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card or EFT and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions