frequentiematen
1.1 Waarom epidemiologie en Methoden, Technieken & Statistiek?
Binnen de opleiding Gezondheidswetenschappen vormt het vak Methoden, Technieken & Statistiek een belangrijk
fundament. In dit vak leer je niet alleen omgaan met onderzoek en cijfers, maar vooral begrijpen hoe
wetenschappelijke kennis over gezondheid tot stand komt. Gezondheidsproblemen zijn vaak complex en worden
beïnvloed door meerdere factoren tegelijk, zoals gedrag, biologische kenmerken, leefomgeving en beleid. Om deze
problemen goed te kunnen analyseren, is het nodig om verder te kijken dan individuele ervaringen of losse
voorbeelden. Methoden, Technieken & Statistiek biedt een systematische manier om gezondheidsvraagstukken te
onderzoeken en onderbouwde conclusies te trekken.
Epidemiologie is een kernonderdeel van dit vak. Epidemiologie houdt zich bezig met het bestuderen van het
vóórkomen en de verspreiding van ziekte en gezondheid in populaties. In plaats van te focussen op één individu, kijkt
epidemiologie naar groepen mensen. Door gezondheid op populatieniveau te bestuderen, kunnen patronen worden
herkend die op individueel niveau niet zichtbaar zijn. Zo kan epidemiologisch onderzoek laten zien hoe vaak een
ziekte voorkomt, bij welke groepen dit vooral het geval is en hoe dit in de tijd verandert. Deze inzichten zijn
onmisbaar voor het ontwikkelen van preventieve maatregelen, het maken van gezondheidsbeleid en het plannen van
zorg.
Gezondheidswetenschappen is een multidisciplinair vakgebied. Dat betekent dat verschillende wetenschappelijke
disciplines samenwerken om gezondheid en ziekte te begrijpen. Een gezondheidsprobleem kan bijvoorbeeld
biologisch worden benaderd, maar ook psychologisch, sociaal of maatschappelijk. Epidemiologie verbindt deze
verschillende perspectieven door inzicht te geven in hoe vaak gezondheidsproblemen voorkomen en onder welke
omstandigheden zij ontstaan. Methoden, Technieken & Statistiek zorgt er vervolgens voor dat dit onderzoek op een
gestructureerde en controleerbare manier wordt uitgevoerd, zodat resultaten betrouwbaar zijn en goed
geïnterpreteerd kunnen worden.
In dit vak wordt wetenschap niet gezien als een verzameling vaststaande feiten, maar als een manier van denken.
Wetenschappelijke kennis ontstaat door het stellen van gerichte vragen, het systematisch verzamelen van gegevens
en het kritisch beoordelen van resultaten. Belangrijk hierbij is dat wetenschappelijke kennis altijd voorlopig is.
Nieuwe onderzoeken kunnen eerdere inzichten bevestigen, maar ook bijstellen of tegenspreken. Dit betekent dat
onderzoekers voortdurend moeten nadenken over de kwaliteit van hun onderzoek en de aannames die zij maken.
Methoden, Technieken & Statistiek richt zich daarom op verschillende onderdelen van het onderzoeksproces. Het
begint bij het opzetten van onderzoek, zoals het formuleren van onderzoeksvragen en het kiezen van een passende
onderzoeksopzet. Vervolgens speelt het analyseren van gegevens een belangrijke rol, omdat hiermee patronen en
verbanden zichtbaar worden. Daarna komt de interpretatie van resultaten aan bod, bijvoorbeeld bij het lezen en
beoordelen van wetenschappelijke artikelen. Tot slot is communicatie van belang: onderzoeksresultaten moeten
duidelijk en correct worden overgebracht aan anderen, zoals beleidsmakers, zorgprofessionals of onderzoekers.
Binnen de epidemiologie zijn frequentiematen essentieel om gezondheid en ziekte meetbaar te maken.
Frequentiematen, zoals prevalentie en incidentie, maken het mogelijk om te beschrijven hoe vaak een ziekte
voorkomt en hoeveel nieuwe gevallen er ontstaan. Zonder deze maten blijft onduidelijk hoe groot een
gezondheidsprobleem daadwerkelijk is. Frequentiematen vormen daarom de basis voor verder epidemiologisch
onderzoek en spelen een belangrijke rol bij het onderbouwen van preventie en beleid.
Deze paragraaf laat zien waarom epidemiologie en Methoden, Technieken & Statistiek een centrale plaats innemen
binnen dit blok. Samen bieden zij het denkkader en de instrumenten om gezondheidsproblemen op een
wetenschappelijke manier te benaderen. In de volgende paragraaf wordt uitgelegd hoe wetenschappelijke kennis
wordt opgebouwd aan de hand van de empirische cyclus.
1
,1.2 De weg naar kennis: de empirische cyclus
Wetenschappelijke kennis ontstaat niet zomaar. Binnen de gezondheidswetenschappen wordt kennis opgebouwd
volgens een vast denkraam dat bekendstaat als de empirische cyclus. De empirische cyclus beschrijft hoe
onderzoekers van waarnemingen tot theorie en weer terug komen, en maakt duidelijk dat wetenschap een
voortdurend proces is van vragen stellen, toetsen en bijstellen. Dit cyclische karakter is essentieel om te begrijpen
hoe epidemiologische kennis tot stand komt en waarom wetenschappelijke inzichten nooit definitief zijn.
De empirische cyclus begint bij waarnemingen.
Dit zijn signalen of verschijnselen in de
werkelijkheid die vragen oproepen. Waarnemingen
kunnen ontstaan in de praktijk, bijvoorbeeld
wanneer artsen of onderzoekers opvallende
patronen zien, maar ook uit bestaande
onderzoeksgegevens of statistieken. In deze fase is
er vaak nog geen duidelijke onderzoeksvraag, maar
wel een vermoeden dat er iets verklaard moet
worden. Binnen de epidemiologie kunnen dit
bijvoorbeeld verschillen zijn in ziekte tussen
groepen mensen, veranderingen in ziekte over de
tijd of onverwachte uitkomsten van eerder
onderzoek.
Op basis van deze waarnemingen
ontstaat theorievorming. Een theorie is een
samenhangend geheel van ideeën en aannames dat
probeert te verklaren waarom een bepaald
verschijnsel optreedt. Theorieën helpen om
waarnemingen te ordenen en geven richting aan
verder onderzoek. In deze fase is de theorie vaak
nog abstract en algemeen. Zij biedt een verklaring, maar is nog niet direct toetsbaar. Theorievorming is daarom een
belangrijke, maar ook voorlopige stap in het wetenschappelijke proces.
Vanuit de theorie volgt de stap van deductie. Deductie betekent dat uit een algemene theorie concrete
verwachtingen worden afgeleid. Deze verwachtingen worden meestal geformuleerd in de vorm van hypothesen.
Een hypothese is een toetsbare uitspraak over een verwachte relatie tussen een determinant en een uitkomst.
Deductie zorgt er dus voor dat abstracte theorie wordt vertaald naar iets dat in de werkelijkheid onderzocht kan
worden.
Na de deductie volgt het empirisch onderzoek. In deze fase worden de hypothesen getoetst door systematisch
gegevens te verzamelen. Er wordt een onderzoeksopzet gekozen, bepaald welke populatie wordt onderzocht en
vastgesteld hoe de determinant en de uitkomst worden gemeten. Dit zijn nieuwe, doelgerichte waarnemingen die
specifiek zijn opgezet om de hypothese te toetsen. Binnen de epidemiologie gaat het hierbij vaak om onderzoek in
populaties, waarbij groepen mensen worden vergeleken.
De verzamelde gegevens worden vervolgens geanalyseerd. In de analysefase wordt bekeken of de
onderzoeksresultaten overeenkomen met de verwachtingen die uit de theorie zijn afgeleid. Op basis van deze
analyse worden conclusiesgetrokken over de hypothesen. Het is belangrijk om te benadrukken dat conclusies altijd
beperkt zijn tot wat het onderzoek daadwerkelijk laat zien. Eén onderzoek kan zelden een theorie definitief
bevestigen of verwerpen.
De laatste stap van de empirische cyclus bestaat uit het bevestigen, aanpassen of verwerpen van de theorie.
Wanneer de resultaten de hypothese ondersteunen, kan de theorie worden versterkt. Wanneer de resultaten
afwijken van de verwachting, moet de theorie worden aangepast of verworpen. In beide gevallen leidt dit tot nieuwe
vragen en nieuwe waarnemingen, waardoor de empirische cyclus opnieuw begint. Dit laat zien dat wetenschap geen
eindpunt kent, maar een voortdurend proces is.
2
,Binnen de empirische cyclus spelen twee vormen van redeneren een belangrijke rol: inductie en deductie. Inductie
is het proces waarbij vanuit concrete waarnemingen een algemene theorie wordt ontwikkeld. Deductie is het proces
waarbij vanuit een theorie concrete, toetsbare hypothesen worden afgeleid. Deze twee vormen van redeneren
vullen elkaar aan en zorgen ervoor dat wetenschappelijk onderzoek zowel vernieuwend als kritisch toetsend is.
In het hoorcollege wordt benadrukt dat wetenschappelijk onderzoek niet altijd tot juiste conclusies leidt.
Onderzoekers kunnen te maken krijgen met fout-positieve of fout-negatieve resultaten. Daarnaast blijkt dat slechts
een deel van alle hypothesen die worden onderzocht uiteindelijk standhoudt. Dit betekent dat wetenschappelijke
kennis altijd met voorzichtigheid moet worden geïnterpreteerd. Juist daarom is het belangrijk dat onderzoek
systematisch wordt uitgevoerd en dat resultaten kritisch worden beoordeeld.
De empirische cyclus vormt daarmee het fundament van epidemiologisch onderzoek. Zij laat zien hoe kennis stap
voor stap wordt opgebouwd en waarom nieuwe inzichten altijd aanleiding geven tot vervolgonderzoek. In de
volgende paragraaf wordt deze manier van denken toegepast op het vakgebied epidemiologie zelf, door te bespreken
wat epidemiologie precies bestudeert en welke vragen daarbij centraal staan.
1.3 Wat is epidemiologie?
Epidemiologie is de wetenschappelijke discipline die zich bezighoudt met het bestuderen van gezondheid en ziekte in
populaties. In tegenstelling tot klinisch onderzoek, dat vaak gericht is op individuele patiënten, kijkt epidemiologie
naar groepen mensen. Het doel hiervan is om patronen te herkennen in het vóórkomen van ziekten en om te
begrijpen waarom bepaalde gezondheidsproblemen vaker voorkomen bij de ene groep dan bij de andere. Door deze
populatiegerichte benadering kan epidemiologie bijdragen aan preventie, beleid en verbetering van de
volksgezondheid.
Het woord epidemiologie is afkomstig uit het Grieks en bestaat uit drie delen: epi (op), demos (volk) en logos (leer).
Vrij vertaald betekent epidemiologie dus de leer van wat er zich onder het volk afspeelt. Deze betekenis komt
duidelijk terug in de manier waarop epidemiologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Epidemiologen zijn geïnteresseerd
in vragen als: hoe vaak komt een ziekte voor, bij wie komt zij voor en onder welke omstandigheden ontstaat zij?
Deze vragen vormen de kern van het vakgebied.
Binnen de epidemiologie wordt ziekte niet gezien als een toevallig of individueel probleem, maar als een verschijnsel
dat zich volgens bepaalde patronen verspreidt. Door deze patronen te bestuderen, kan inzicht worden verkregen in
mogelijke oorzaken en risicofactoren. Epidemiologie richt zich daarbij niet alleen op ziekten, maar ook op
gezondheid in bredere zin. Ook positieve gezondheidsuitkomsten, zoals herstel, overleving of het uitblijven van
ziekte, kunnen onderwerp van epidemiologisch onderzoek zijn.
Een belangrijk kenmerk van epidemiologie is dat zij altijd werkt met vergelijkingen. Gezondheid en ziekte krijgen
pas betekenis wanneer groepen met elkaar worden vergeleken. Zo kan worden onderzocht of een ziekte vaker
voorkomt bij mannen dan bij vrouwen, bij ouderen dan bij jongeren, of bij mensen met een bepaalde leefstijl dan bij
mensen zonder die leefstijl. Door dergelijke vergelijkingen kunnen verbanden zichtbaar worden tussen
determinanten en gezondheidsuitkomsten.
Epidemiologie houdt zich bezig met verschillende soorten vragen. Sommige vragen zijn beschrijvend van aard. Hierbij
gaat het om het in kaart brengen van hoe vaak een ziekte voorkomt en hoe dit verschilt tussen groepen of over de
tijd. Andere vragen zijn verklarend en richten zich op het achterhalen van mogelijke oorzaken van ziekte. Daarnaast
kan epidemiologie worden gebruikt om interventies te evalueren, bijvoorbeeld om te onderzoeken of een
preventieve maatregel leidt tot minder ziektegevallen.
Binnen het hoorcollege wordt benadrukt dat epidemiologie een empirische wetenschap is. Dit betekent dat
conclusies altijd gebaseerd zijn op waarnemingen en gegevens. Epidemiologische kennis ontstaat door het
systematisch verzamelen en analyseren van data over populaties. Deze gegevens kunnen afkomstig zijn uit
registraties, enquêtes of speciaal opgezet onderzoek. Door deze empirische benadering sluit epidemiologie nauw aan
bij de empirische cyclus die in de vorige paragraaf is besproken.
3
,Epidemiologie vormt daarmee een onmisbare schakel binnen de gezondheidswetenschappen. Zij maakt het mogelijk
om gezondheidsproblemen te kwantificeren, te vergelijken en te verklaren. In de volgende paragraaf wordt verder
ingegaan op de bouwstenen van epidemiologisch onderzoek, door te bespreken wat wordt verstaan onder
determinanten en uitkomsten en hoe deze begrippen worden gebruikt binnen onderzoek.
1.4 Determinanten en uitkomsten in epidemiologisch onderzoek
Binnen epidemiologisch onderzoek wordt altijd gewerkt met twee centrale
begrippen: determinanten en uitkomsten. Deze begrippen vormen samen de basis van vrijwel elke
epidemiologische vraagstelling. Zonder een duidelijk onderscheid tussen wat als determinant wordt gezien en wat als
uitkomst, is het niet mogelijk om gezondheidsproblemen systematisch te onderzoeken of verbanden te analyseren.
Een determinant is een factor waarvan wordt verondersteld dat deze invloed heeft op gezondheid of ziekte.
Determinanten kunnen zeer uiteenlopend zijn. Het kan gaan om biologische kenmerken, zoals leeftijd of geslacht,
maar ook om gedrag, zoals roken, alcoholgebruik of lichamelijke activiteit. Daarnaast kunnen omgevingsfactoren,
zoals luchtvervuiling, woonomstandigheden of werksituatie, optreden als determinant. In epidemiologisch onderzoek
staat de determinant centraal als mogelijke verklaring voor verschillen in gezondheid tussen groepen mensen.
De uitkomst is het gezondheidsverschijnsel dat wordt onderzocht. Dit kan een ziekte zijn, maar ook sterfte,
herstel, klachten of een andere meetbare gezondheidstoestand. De uitkomst wordt altijd zo duidelijk en eenduidig
mogelijk gedefinieerd, zodat vaststaat wanneer iemand wel of niet tot de groep met de uitkomst behoort. Dit is
belangrijk om te voorkomen dat interpretatieverschillen de resultaten beïnvloeden. Een uitkomst moet daarom
meetbaar zijn en op dezelfde manier worden vastgesteld voor alle personen in het onderzoek.
In epidemiologisch onderzoek wordt meestal onderzocht of de uitkomst vaker voorkomt bij mensen die zijn
blootgesteld aan een bepaalde determinant dan bij mensen die dat niet zijn. Het gaat hierbij niet om individuele
oorzaken, maar om verschillen tussen groepen. Epidemiologie probeert dus niet vast te stellen waarom één
specifieke persoon ziek is geworden, maar waarom een ziekte vaker voorkomt in de ene groep dan in de andere. Dit
onderscheid is essentieel om epidemiologisch denken goed te begrijpen.
De relatie tussen determinant en uitkomst kan worden weergegeven als een functie, waarbij de uitkomst wordt
gezien als het gevolg van de determinant. Dit betekent niet dat er automatisch sprake is van een oorzakelijk verband.
Epidemiologisch onderzoek richt zich in eerste instantie op het vaststellen van associaties, oftewel samenhangen,
tussen determinanten en uitkomsten. Pas in een later stadium kan worden onderzocht of deze associaties mogelijk
wijzen op causaliteit.
Het is belangrijk om te beseffen dat determinanten niet altijd los van elkaar staan. In de praktijk zijn
gezondheidsuitkomsten vaak het resultaat van meerdere determinanten die samen optreden. Zo kan een ziekte
beïnvloed worden door zowel genetische aanleg als leefstijl en omgevingsfactoren. Epidemiologisch onderzoek
probeert deze complexiteit te ordenen door determinanten afzonderlijk of in combinatie te bestuderen.
Determinanten en uitkomsten vormen samen de bouwstenen voor verdere epidemiologische analyses. Ze bepalen
welke groepen met elkaar worden vergeleken en welke frequentiematen kunnen worden berekend. In de volgende
paragraaf wordt daarom ingegaan op het begrip population at risk, dat aangeeft welke personen daadwerkelijk
risico lopen om een bepaalde uitkomst te krijgen en dus mogen worden meegenomen in epidemiologische
berekeningen.
1.5 Population at risk
Bij epidemiologisch onderzoek is het niet alleen belangrijk om vast te stellen wat de determinant en de uitkomst zijn,
maar ook wie daadwerkelijk risico loopt om die uitkomst te krijgen. Dit wordt aangeduid met het
begrip population at risk. De population at risk bestaat uit alle personen binnen een populatie die in principe de
4
, onderzochte uitkomst kunnen krijgen. Alleen deze groep mag worden meegenomen in epidemiologische
berekeningen, zoals incidentie.
Het idee achter population at risk is dat niet iedereen in een populatie altijd risico loopt op elke mogelijke uitkomst.
Sommige mensen kunnen een bepaalde ziekte simpelweg niet krijgen, bijvoorbeeld vanwege biologische kenmerken
of omdat zij de ziekte al hebben gehad. Wanneer deze personen toch worden meegenomen in berekeningen, leidt
dit tot een vertekend beeld van hoe vaak een ziekte daadwerkelijk ontstaat.
Een belangrijk voorbeeld hiervan is prostaatkanker. Prostaatkanker kan alleen voorkomen bij mensen met een
prostaat. Dit betekent dat vrouwen geen deel uitmaken van de population at risk voor deze ziekte. Wanneer
vrouwen toch zouden worden meegenomen in de berekening van incidentie of prevalentie van prostaatkanker, zou
dit leiden tot een onderschatting van het risico bij mannen. Dit voorbeeld laat zien dat het correct afbakenen van de
population at risk essentieel is voor betrouwbare epidemiologische analyses.
Naast biologische kenmerken speelt ook het tijdstip een rol bij het bepalen van de population at risk. Personen die
de uitkomst al hebben vóór het begin van de meetperiode behoren niet tot de population at risk voor het ontstaan
van die uitkomst. Zij kunnen de ziekte immers niet opnieuw krijgen. Bij het berekenen van incidentie worden
daarom alleen personen meegenomen die aan het begin van de periode nog ziektevrij zijn.
Binnen longitudinaal onderzoek, waarbij personen over een langere periode worden gevolgd, kan de population at
risk in de loop van de tijd veranderen. Personen kunnen tijdens het onderzoek ziek worden, overlijden of uitvallen.
Zodra iemand de uitkomst krijgt, behoort die persoon niet langer tot de population at risk voor het ontstaan van
diezelfde uitkomst. Epidemiologisch onderzoek moet hier rekening mee houden om te voorkomen dat risico’s
verkeerd worden ingeschat.
Het begrip population at risk is onmisbaar voor het correct interpreteren van frequentiematen. Zonder een
duidelijke afbakening van deze groep is het niet mogelijk om betrouwbare uitspraken te doen over het ontstaan van
ziekte. In de volgende paragrafen wordt daarom verder ingegaan op frequentiematen, zoals prevalentie en incidentie,
die altijd gebaseerd zijn op de population at risk.
1.6 Het meten van ziekte
Om ziekte en gezondheid epidemiologisch te kunnen bestuderen, is het noodzakelijk dat deze verschijnselen op een
betrouwbare en systematische manier worden gemeten. Ziekte is geen vaststaand of eenduidig begrip, maar een
proces dat zich in de tijd ontwikkelt. Epidemiologie probeert dit proces zo goed mogelijk vast te leggen door gebruik
te maken van verschillende meetmethoden. De manier waarop ziekte wordt gemeten, heeft directe gevolgen voor
de resultaten van onderzoek en voor de interpretatie daarvan.
Binnen epidemiologisch onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen actieve meting en registraties. Bij actieve
meting verzamelt de onderzoeker zelf gegevens over ziekte of gezondheid. Dit kan bijvoorbeeld door middel van
vragenlijsten, interviews, lichamelijk onderzoek of laboratoriumtests. Actieve meting wordt vaak toegepast wanneer
specifieke informatie nodig is die niet beschikbaar is in bestaande databronnen. Een voordeel van actieve meting is
dat de onderzoeker zelf kan bepalen welke gegevens worden verzameld en hoe dit gebeurt. Hierdoor kan de meting
nauwkeurig worden afgestemd op de onderzoeksvraag.
Actieve meting heeft echter ook nadelen. Het verzamelen van gegevens kost tijd en geld en vraagt vaak veel inzet van
zowel onderzoekers als deelnemers. Daarnaast kan actieve meting leiden tot selectiebias, bijvoorbeeld wanneer
bepaalde groepen mensen minder vaak deelnemen aan onderzoek. Dit kan de representativiteit van de resultaten
beïnvloeden. Epidemiologen moeten daarom zorgvuldig afwegen of actieve meting noodzakelijk is voor het
beantwoorden van de onderzoeksvraag.
Naast actieve meting wordt in epidemiologisch onderzoek veel gebruikgemaakt van registraties. Registraties zijn
bestaande databronnen waarin gezondheidsgegevens routinematig worden vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn
ziekenhuisregistraties, doodsoorzakenregisters of bevolkingsonderzoeken. Registraties maken het mogelijk om grote
5