H4: productie van antilichamen
Antilichamen in immunologische technieken
Belang van antilichamen
o Bepalen specificiteit van de test: onderscheid tussen
doelmolecule en gelijkaardige componenten
o Bepalen gevoeligheid: detectie van lage concentraties van het
antigen
Productie van antilichamen
Natuurlijke antilichamen zijn zeldzaam → productie meestal via
immunisatie van dieren
Twee hoofdtypes:
o Polykloon
Ontstaat in immuniseerde (sterfelijke) dieren
Bevat mengsel van antilichamen, inclusief niet-relevante.
Eigenschappen variëren per dier
o Monokloon
Geproduceerd door onsterfelijke cellijnen → onbeperkte
productie
99% gericht tegen één antigen → homogeen in affiniteit en
aviditeit
Voordeel: zeer consistent en specifiek
Nadeel: productie is technisch complex, tijdrovend en duur
Productie van polyklonale antilichamen (antisera)
Basisprincipe
o Dier wordt geïmmuniseerd met het gewenste antigen → serum
geoogst → gebruikt als polyklonaal antiserum
o Meestal gericht tegen eiwitten of peptiden (soms koolhydraten,
nucleïnezuren)
Factoren die de immuunrespons (hoeveelheid geproduceerd
antilichaam) beïnvloeden
o Antigen-grootte:
Hoe groter het antigen, des te sterker de immuunrespons
Grote eiwitten (Mr > 10.000) → sterk immunogeen
Kleine peptiden (Mr < 2.000) → zwak immunogeen →
koppelen aan dragereiwit (hapteen-conjugatie)
o Lichaamsvreemdheid:
Hoe groter de fylogenetische afstand tussen antigen en
dier → sterkere respons (als het antigen afkomstig is van
een levend organisme)
, Aminozuurverschillen tussen overeenkomstige eiwitten zijn
bepalend (antigen en overeenkomstig eiwit in het
geïmmuniseerde dier vergelijken)
Hoe groter het verschil tussen de 2 eiwitten → des te
beter de immuunrespons
o Praktische factoren: beschikbaarheid antigen, hoeveelheid
antilichaam nodig, faciliteiten, kosten
Adjuvans
o Om een krachtig polyklonaal antiserum te bekomen (veel en
verschillende antilichamen bevat + goed functioneert in een vitro
experiment) → nodig om adjuvans toe te voegen
o Toegevoegd om immunogeniciteit te verhogen
o Werkt een sterkere immuunrespons uit door één of meerdere
effecten:
Antigen langer beschikbaar houden
T-celstimulatie
Betere antigenpresentatie
Immunisatieprotocol
o Hyper-immunisatie: meerdere injecties nodig
1e injectie → vooral IgM (aviditeit is te laag)
2e injectie (na 2 weken) → veel IgG met hogere affiniteit
Hoeveel antigen en rustperiode tussen de boosts:
afhankelijk van antigen tot antigen en van dier tot dier
IgG piekt na 10–14 dagen → neemt hierna terug af
Extra boosts mogelijk (maandelijks) voor betere kwaliteit
Dierkeuze
o Kleinere dieren (muizen) → weinig antigenen nodig maar weinig
serum (enkele ml)
o Konijnen → vaak gebruikt voor onderzoek (enkele honderden ml)
o Grotere dieren (schapen, paarden) → commerciële productie
(liters serum)
Productie van monoklonale antilichamen
Oorsprong: Afkomstig van één enkele B-cel (en haar nakomelingen)
Probleem: Een normale B-celcultuur overleeft slechts enkele weken →
levert weinig antilichaam op
Antilichamen in immunologische technieken
Belang van antilichamen
o Bepalen specificiteit van de test: onderscheid tussen
doelmolecule en gelijkaardige componenten
o Bepalen gevoeligheid: detectie van lage concentraties van het
antigen
Productie van antilichamen
Natuurlijke antilichamen zijn zeldzaam → productie meestal via
immunisatie van dieren
Twee hoofdtypes:
o Polykloon
Ontstaat in immuniseerde (sterfelijke) dieren
Bevat mengsel van antilichamen, inclusief niet-relevante.
Eigenschappen variëren per dier
o Monokloon
Geproduceerd door onsterfelijke cellijnen → onbeperkte
productie
99% gericht tegen één antigen → homogeen in affiniteit en
aviditeit
Voordeel: zeer consistent en specifiek
Nadeel: productie is technisch complex, tijdrovend en duur
Productie van polyklonale antilichamen (antisera)
Basisprincipe
o Dier wordt geïmmuniseerd met het gewenste antigen → serum
geoogst → gebruikt als polyklonaal antiserum
o Meestal gericht tegen eiwitten of peptiden (soms koolhydraten,
nucleïnezuren)
Factoren die de immuunrespons (hoeveelheid geproduceerd
antilichaam) beïnvloeden
o Antigen-grootte:
Hoe groter het antigen, des te sterker de immuunrespons
Grote eiwitten (Mr > 10.000) → sterk immunogeen
Kleine peptiden (Mr < 2.000) → zwak immunogeen →
koppelen aan dragereiwit (hapteen-conjugatie)
o Lichaamsvreemdheid:
Hoe groter de fylogenetische afstand tussen antigen en
dier → sterkere respons (als het antigen afkomstig is van
een levend organisme)
, Aminozuurverschillen tussen overeenkomstige eiwitten zijn
bepalend (antigen en overeenkomstig eiwit in het
geïmmuniseerde dier vergelijken)
Hoe groter het verschil tussen de 2 eiwitten → des te
beter de immuunrespons
o Praktische factoren: beschikbaarheid antigen, hoeveelheid
antilichaam nodig, faciliteiten, kosten
Adjuvans
o Om een krachtig polyklonaal antiserum te bekomen (veel en
verschillende antilichamen bevat + goed functioneert in een vitro
experiment) → nodig om adjuvans toe te voegen
o Toegevoegd om immunogeniciteit te verhogen
o Werkt een sterkere immuunrespons uit door één of meerdere
effecten:
Antigen langer beschikbaar houden
T-celstimulatie
Betere antigenpresentatie
Immunisatieprotocol
o Hyper-immunisatie: meerdere injecties nodig
1e injectie → vooral IgM (aviditeit is te laag)
2e injectie (na 2 weken) → veel IgG met hogere affiniteit
Hoeveel antigen en rustperiode tussen de boosts:
afhankelijk van antigen tot antigen en van dier tot dier
IgG piekt na 10–14 dagen → neemt hierna terug af
Extra boosts mogelijk (maandelijks) voor betere kwaliteit
Dierkeuze
o Kleinere dieren (muizen) → weinig antigenen nodig maar weinig
serum (enkele ml)
o Konijnen → vaak gebruikt voor onderzoek (enkele honderden ml)
o Grotere dieren (schapen, paarden) → commerciële productie
(liters serum)
Productie van monoklonale antilichamen
Oorsprong: Afkomstig van één enkele B-cel (en haar nakomelingen)
Probleem: Een normale B-celcultuur overleeft slechts enkele weken →
levert weinig antilichaam op