OEFENEXAMEN 3 – COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN I
DEEL 1 – MEERKEUZEVRAGEN (40)
1. Welke combinatie van kenmerken past het BEST bij het dominante
mainstream paradigma na WOII?
a) Kritisch – kwalitatief – normatief
b) Empirisch – kwantitatief – beleidsgericht
c) Cultureel – interpretatief – theoretisch
d) Structureel – marxistisch – ideologiekritisch
e) Postmodern – discursief – reflexief
2. Wat maakt Lasswells communicatiemodel “kind van zijn tijd”?
a) De aandacht voor polysemie
b) De focus op technische ruis
c) De klemtoon op persuasieve effecten en controle
d) De actieve rol van de ontvanger
e) De nadruk op sociale context
3. Welke kritiek op Lasswell is THEORETISCH het meest fundamenteel?
a) Het model is moeilijk toepasbaar
b) Het model is te normatief
c) Het model veronderstelt een lineaire causaliteit
d) Het model bevat te veel concepten
e) Het model is te descriptief
4. Het begrip ruis bij Shannon & Weaver is belangrijk omdat het:
a) betekenis centraal stelt
b) sociale context introduceert
c) verstoring in transmissie conceptualiseert
d) feedback verklaart
e) ideologie blootlegt
5. Waarom blijft het Shannon & Weaver-model relevant ondanks zware
kritiek?
a) Omdat het circulair is
b) Omdat het cultureel is
c) Omdat het de basis legde voor latere modellen
d) Omdat het ontvangergericht is
e) Omdat het normatief is
, 6. Het ABX-model van Newcomb verschilt van eerdere modellen doordat
het:
a) media centraal stelt
b) communicatie als technisch proces ziet
c) attitudeverandering relationeel benadert
d) feedback volledig uitwerkt
e) propaganda verklaart
7. Welke uitspraak over actiegerichte benaderingen is het MEEST correct?
a) Ze ontkennen machtsstructuren
b) Ze verklaren sociale orde vanuit individuele betekenisgeving
c) Ze zijn volledig deterministisch
d) Ze focussen exclusief op media-inhoud
e) Ze zijn structureel van aard
8. Waarom wordt etnomethodologie soms bekritiseerd binnen
communicatiewetenschappen?
a) Omdat ze te positivistisch is
b) Omdat ze te normatief is
c) Omdat machtsstructuren onderbelicht blijven
d) Omdat ze te kwantitatief is
e) Omdat ze media uitsluit
9. De cultuurindustrie-these impliceert dat populaire cultuur:
a) spontaan en creatief is
b) een emancipatorisch potentieel heeft
c) onderworpen is aan kapitalistische logica
d) betekenisloos is
e) enkel door publiek wordt bepaald
10. Welke combinatie past het BEST bij critical research?
a) Positivisme – beleid – effectiviteit
b) Empirie – meting – causaliteit
c) Macht – ideologie – maatschappelijke context
d) Individu – cognitie – keuze
e) Technologie – efficiëntie – ruis
DEEL 1 – MEERKEUZEVRAGEN (40)
1. Welke combinatie van kenmerken past het BEST bij het dominante
mainstream paradigma na WOII?
a) Kritisch – kwalitatief – normatief
b) Empirisch – kwantitatief – beleidsgericht
c) Cultureel – interpretatief – theoretisch
d) Structureel – marxistisch – ideologiekritisch
e) Postmodern – discursief – reflexief
2. Wat maakt Lasswells communicatiemodel “kind van zijn tijd”?
a) De aandacht voor polysemie
b) De focus op technische ruis
c) De klemtoon op persuasieve effecten en controle
d) De actieve rol van de ontvanger
e) De nadruk op sociale context
3. Welke kritiek op Lasswell is THEORETISCH het meest fundamenteel?
a) Het model is moeilijk toepasbaar
b) Het model is te normatief
c) Het model veronderstelt een lineaire causaliteit
d) Het model bevat te veel concepten
e) Het model is te descriptief
4. Het begrip ruis bij Shannon & Weaver is belangrijk omdat het:
a) betekenis centraal stelt
b) sociale context introduceert
c) verstoring in transmissie conceptualiseert
d) feedback verklaart
e) ideologie blootlegt
5. Waarom blijft het Shannon & Weaver-model relevant ondanks zware
kritiek?
a) Omdat het circulair is
b) Omdat het cultureel is
c) Omdat het de basis legde voor latere modellen
d) Omdat het ontvangergericht is
e) Omdat het normatief is
, 6. Het ABX-model van Newcomb verschilt van eerdere modellen doordat
het:
a) media centraal stelt
b) communicatie als technisch proces ziet
c) attitudeverandering relationeel benadert
d) feedback volledig uitwerkt
e) propaganda verklaart
7. Welke uitspraak over actiegerichte benaderingen is het MEEST correct?
a) Ze ontkennen machtsstructuren
b) Ze verklaren sociale orde vanuit individuele betekenisgeving
c) Ze zijn volledig deterministisch
d) Ze focussen exclusief op media-inhoud
e) Ze zijn structureel van aard
8. Waarom wordt etnomethodologie soms bekritiseerd binnen
communicatiewetenschappen?
a) Omdat ze te positivistisch is
b) Omdat ze te normatief is
c) Omdat machtsstructuren onderbelicht blijven
d) Omdat ze te kwantitatief is
e) Omdat ze media uitsluit
9. De cultuurindustrie-these impliceert dat populaire cultuur:
a) spontaan en creatief is
b) een emancipatorisch potentieel heeft
c) onderworpen is aan kapitalistische logica
d) betekenisloos is
e) enkel door publiek wordt bepaald
10. Welke combinatie past het BEST bij critical research?
a) Positivisme – beleid – effectiviteit
b) Empirie – meting – causaliteit
c) Macht – ideologie – maatschappelijke context
d) Individu – cognitie – keuze
e) Technologie – efficiëntie – ruis