Hoofdstuk 2: De leerkracht centraal
2.1 Het doel van dit boek
Na het lezen van dit boek is een leerkracht in staat om een goede les voor te
bereiden en te geven. Het boek bevat aanpakken om het lesgeven effectiever te
maken.
Twee tips: stel een vraag aan de hele klas, en wacht even voordat je een kind
antwoord laat geven.
2.2 Ontwikkelen versus ontdekken
Instructie is het hart van effectief onderwijs.
Meeste leerlingen hebben leerkracht nodig om tot leren te komen. Klein aantal
leerlingen komt tot leren ongeacht de kwaliteit van de gegeven instructie.
Ontdekken van talent: sommige leerlingen beheersen de lesstof al en de
leerkracht stelt vast wie dit zijn, ontdekken. Maar talent moet in alle leerlingen
ontwikkeld worden.
Ontwikkelen is succesvol, instructie is effectief en efficiënt zodat alle leerlingen
de gestelde doelen halen en zich trots kunnen voelen. Dat gaat verder dan enkel
vaststellen of leerlingen ergens goed in zijn. Bij ontwikkelen gaat het om goede
instructie en begeleide inoefening waardoor alle leerlingen kans krijgen om zich
de leerstof goed eigen te maken.
Goede instructie is: effectief (leerlingen leren veel) en efficiënt ( leerlingen leren
snel), goede lesvoorbereiding, vrijwel alle leerlingen behalen de gestelde doelen
en is bruikbaar voor alle vakgebieden, leeftijden en groepen.
2.3 Een gefundeerde keuze
Er bestaan in het algemeen twee visies op onderwijs.
Eerste visie is ontdekkend of natuurlijk leren. De leerkracht blijft op de
achtergrond en een meer coachende rol vervuld. Leerlingen construeren hun
eigen leren en leerproces. Leerlingen die niet goed meekomen krijgen
aangepaste doelen.
De andere visie gaat uit van directe instructie, de leerkracht vervuld de centrale
rol. De leerkracht overziet het leerproces en stelt vast welke kennis en
vaardigheden cruciaal zijn om aan te bieden. Er zijn duidelijke lesdoelen.
Leerlingen die minder makkelijk meekomen wordt de instructie geïntensiveerd,
waardoor alle leerlingen de gestelde doelen halen.
Bij directe instructie draagt de leerkracht de verantwoordelijkheid stapsgewijs
over aan de leerlingen. Door deze aanpak wordt het leren van de leerlingen
verbeterd, in het bijzonder de leerlingen die meer moeite hebben om mee te
komen. Dit is het model van Expliciete Directe Instructie.
,2.3.1 Maatschappij
De afgelopen jaren was er in Nederland een brede maatschappelijke zorg over
het lees- en rekenniveau van leerlingen op alle scholen, en dat niet zonder
reden.
Het lage lees- en rekenniveau is een maatschappelijke zorg. Het verlagen van
doelen en verwachtingen leidt niet tot een goede werking van de maatschappij.
Er is een proactieve aanpak nodig, gericht op preventie.
Het doel van passend onderwijs is het accent van het vaststellen van leer- en
gedragsproblemen bij leerlingen, naar aanbieden van wat zij daadwerkelijk nodig
hebben. De onderwijsbehoefte staat centraal, niet de problemen.
Daarnaast zijn referentieniveaus ingesteld, duidelijke doelen voor rekenen en
taal. Gevolg is doelgericht onderwijs, met hoge verwachtingen van alle
leerlingen.
2.3.2 Onderzoek
Vrijwel alle interventies in het onderwijs hebben een positief effect, maar de
groottes verschillen, effectgroottes. Bij een effectgrootte boven de 0.4 is er een
sterkte positieve invloed. Directe Instructie haalt de 0.59.
Door het gebruik van een effectief bewezen methode is dat goed voor zowel
leerkracht en leerling. Als je wordt beloond voor je inspanningen, geeft dit extra
energie om nog meer uit jezelf en uit je leerlingen te halen.
Bij meerdere onderzoeken is gebleken dat Directe Instructie erg effectief is. De
leerlingen leerden meer, het zelfvertrouwen was groter en ze waren beter in het
oplossen van complexe problemen.
2.4 Expliciete Directe Instructie
EDI bestaat uit een aantal vaste lesonderdelen aangevuld met technieken. Het
doel is om de leerstof succesvol over te dragen aan alle leerlingen.
Een EDI-les bestaat uit verschillende onderdelen:
- Activeren van voorkennis: leerlingen krijgen een opdracht die aansluit
bij de te geven les, waardoor de kennis uit het langetermijngeheugen in
het werkgeheugen wordt geplaatst, zodat hierop de nieuwe kennis kan
worden gebouwd.
- Lesdoel: duidelijk beschreven en met de leerlingen gedeeld doel, waarin
staat wat de leerlingen aan het eind van de les moeten weten of kunnen.
- Instructie over concept: de begrippen die in het lesdoel staan
beschreven, worden uitgelegd.
- Instructie over vaardigheid: de stappen die nodig zijn om de in het
lesdoel beschreven vaardigheden goed uit te voeren, worden aangeleerd.
- Begeleide inoefening: de leerlingen nemen het verwoorden en
toepassen van de lesstof over, de leerkracht controleert of ze het goed
doen en begrijpen.
, - Kleine lesafsluiting: de leerlingen maken opdrachten om te laten zien
dat ze de begrippen en vaardigheden van het lesdoel beheersen. Daarna
komt de fase zelfstandige verwerking.
- Zelfstandige verwerking: leerlingen oefenen zelfstandig.
- Verlengde instructie: de leerlingen die zich de leerstof onvoldoende
eigen hebben gemaakt, volgen tijdens de zelfstandige verwerking een
verlengde instructie met de leerkracht.
- Grote lesafsluiting: de leerkracht bespreekt met de leerlingen hoe de
les is verlopen. Het proces staat centraal in plaats van het leerdoel.
Een EDI-les bevat de volgende technieken:
- Betrekken en activeren: leerlingen worden actief bij de les betrokken
door mee te schrijven, na te denken, te verwoorden en uit te wisselen.
- Controleren van begrip: tijdens het lesgeven wordt voortdurend
gecontroleerd of alle leerlingen ook écht tot leren komen.
- Feedback: het controleren van begrip geeft waardevolle informatie voor
het geven van feedback.
- Herhalen: tijdens de les wordt de leerstof veelvuldig herhaald, door veel
vragen te stellen enz.
EDI is een vorm van metacognitief lesgeven, de leerkracht weet hoe je instructie
geeft, wanneer je bepaalde technieken gebruikt, waarom je dit doet en wat het
effect ervan op je leerlingen geeft.
Hoofdstuk 3: Betrekken en activeren
3.1 Activeren om te leren
Het doel van activeren van leerlingen is om ze te laten leren. Er zijn
verschillende manieren om leerlingen te activeren.
3.2 Woorden uitspreken en antwoorden in hele zinnen
Tijdens het lesgeven komen er veel woorden voorbij waar de leerlingen niet
direct de betekenis van weten. Van een moeilijk woord licht de leerkracht kort en
krachtig de betekenis toe. Woorden die moeilijk uit te spreken zijn, worden door
de leerlingen hardop nagezegd (bijwijzen). Het koppelen van een geschreven
woord aan de uitspraak ervan versterkt de leesvaardigheid.
In groep 1 en 2, wanneer kinderen meestal nog niet kunnen lezen, is het ook
verstandig om het woord op te schrijven en bij te wijzen. Hierdoor zien kinderen
de elementaire leeshandeling van het verklanken van letters en de leesrichting.
Het is ook goed om woorden in de goede context te geven.
Voor leerlingen die moeite hebben met het verklanken van woorden kan een
voorbeeldzin ondersteunend zijn. Overleggen met een schoudermaatje kan ook
helpen. Bijkomend voordeel is dat leerlingen de zinnen vaker horen, herhaling.
Laat leerlingen antwoord geven in volzinnen. Vraag ook het antwoord toe te
lichten of te verklaren. Belangrijk is leerlingen luid en duidelijk te laten spreken,