,Week 1: Introductie
Inleiding, wat is cultuur?
Het vak culturele geschiedenis begint bij een fundamentele, maar lastige vraag: wat is
cultuur? Zoals cultuurhistoricus Raymond Williams al stelde, is ‘culture’ een van de meest
complexe woorden in de Engelse taal. Dat komt doordat het begrip door de tijd heen
verschillende betekenissen heeft gekregen.
Oorspronkelijk ligt de betekenis van cultuur in de landbouw: het cultiveren van gewassen.
Vanaf de achttiende eeuw verschuift die betekenis naar de mens zelf. Cultuur wordt dan
opgevat als cultivering van de geest: een cultured person is iemand met smaak, kennis en
beschaving.
Tegelijkertijd ontstaat er kritiek op het idee dat er maar één cultuur zou bestaan. De Duitse
denker Johann Gottfried Herder benadrukte dat er niet één universele cultuur is, maar
meerdere culturen, elk met hun eigen waarden en gebruiken. Dit relativistische perspectief is
cruciaal voor de culturele geschiedenis.
Herder is de sleutelfiguur hier. Hij verzette zich tegen het Franse Verlichtingsideaal dat er
slechts één universele menselijke beschaving was (met Frankrijk aan de top). Een
relativistische blik betekent dat je erkent dat wat wij nu "normaal" vinden (bijvoorbeeld onze
omgang met het lichaam of liefde), over 100 jaar of in een andere cultuur totaal anders kan
zijn.
Daarnaast is er de antropologische betekenis van cultuur: cultuur omvat alles wat mensen
doen en geloven – van taal en rituelen tot kleding, relaties en dagelijkse gewoonten. Deze
brede definitie vormt een belangrijke basis voor het vak. De antropologie heeft de focus van
cultuurhistorici verschoven van elite-instellingen naar het alledaagse leven.
,Een onderscheid:
1. High culture: kunst, elite en onderscheid
Een invloedrijke, maar ook problematische betekenis van cultuur is die van high culture.
Volgens de Oxford English Dictionary verwijst cultuur hier naar de verfijning van de geest,
smaak en intellectuele ontwikkeling. Sinds de negentiende eeuw wordt kunst, muziek en
literatuur vaak bijna religieus benaderd.
High culture gaat gepaard met:
• een canon van grote werken (zoals Shakespeare)
• een sterke associatie met een culturele elite
De Franse socioloog Pierre Bourdieu bekritiseerde dit idee. Met zijn concepten van
cultureel kapitaal en distinction liet hij zien dat wat als ‘goede smaak’ geldt, vooral de
smaak van een specifieke sociale klasse is. High culture is dus geen neutraal gegeven, maar
ook een vorm van macht en uitsluiting.
Cultureel Kapitaal: Dit zijn de kennis, vaardigheden, opleiding en smaak die iemand bezit.
Het is niet alleen wat je weet, maar ook hoe je je gedraagt (bijv. weten hoe je je moet
gedragen in een museum of bij een klassiek concert). Dit kapitaal kun je omzetten in
economisch of sociaal succes.
Distinction (Onderscheid): De elite gebruikt 'goede smaak' om zich te onderscheiden van de
lagere klassen. Door bepaalde kunst of muziek als 'hoger' te bestempelen, bevestigen ze hun
eigen superieure sociale positie. Smaak is dus een wapen in de klassenstrijd.
2. Volkscultuur: traditie en authenticiteit
Daartegenover staat volkscultuur: traditionele cultuur die wordt geproduceerd én
geconsumeerd door gewone mensen. Historicus Peter Burke stelde dat vanaf circa 1500, en
vooral tijdens de Renaissance, elites zich begonnen af te scheiden van volkscultuur. Dit
proces leidde uiteindelijk tot een duidelijke scheiding tussen elitecultuur en populaire cultuur
in de achttiende en negentiende eeuw.
, Volkscultuur wordt vaak voorgesteld als:
• lokaal en nationaal
• authentiek en traditioneel
Toch is die voorstelling misleidend. Volkscultuur is vaak internationaal beïnvloed en staat
in een gespannen relatie tot moderniteit: wat als ‘authentiek’ wordt gezien, is vaak juist een
moderne constructie.
3. Massacultuur: consumptie, macht en kritiek
Massacultuur verschilt van volkscultuur. Waar volkscultuur door gewone mensen zelf wordt
gemaakt, wordt massacultuur kapitalistisch geproduceerd en door het publiek
geconsumeerd. Denk aan populaire muziek, film en televisie.
Massacultuur werd lange tijd negatief beoordeeld:
• links: als valse bewustwording (Marxistisch perspectief)
• rechts: als moreel verval of manipulatie
Vanaf de jaren zeventig verandert dit. Binnen de British Cultural Studies, met denkers als
Richard Hoggart en Stuart Hall, wordt populaire cultuur serieus genomen als betekenisvol
onderdeel van het dagelijks leven. Daarbij ontstaat ook aandacht voor subculturen en de
vraag: wie zijn “de gewone mensen” eigenlijk?
Verzet en Agency: Stuart Hall en de British Cultural Studies (ook wel de 'Birmingham
School' genoemd) stelden dat consumenten niet simpelweg "hersendood" zijn. Mensen
gebruiken populaire cultuur (zoals kledingstijl, muziek of taal) als een vorm van agency
(keuzevrijheid) om hun eigen identiteit te vormen, vaak als verzet tegen de dominante cultuur.
Subculturen: Denk aan punkers, mods of hiphoppers. Voor deze groepen is cultuur een
manier om zich te onderscheiden en een eigen gemeenschap te vormen.
Stuart Hall & Representation: Hall benadrukte dat cultuur gaat over representatie: wie heeft
de macht om te bepalen hoe een groep (bijvoorbeeld de arbeidersklasse of een minderheid) in
de media wordt afgebeeld?