reader is aanvullend – examen 5 punten
1. De vraagzijde
De ‘bril’: Hoe kijken naar mens, middel, samenleving?
Medisch-psychiatrisch perspectief
Druggebruik / verslaving als een ziekte / stoornis behandelen als ziekte
Afhankelijkheid – verslaving
Oplossing: dokter / psychiater
Gedragsmatig perspectief
Druggebruik als een vorm van ‘afwijkend’ gedrag
Interactie tussen individu en omgeving
Gedrag = aangeleerd DUS we moeten het gedrag afleren
Beeld van de klassieke therapie
Biologisch-genetisch perspectief
Verslaving bekijken vanuit een aanleg / kwetsbaarheid
Hersenaandoening – neurologisch
Alcohol-gen
o Zekere mate van genetische aanleg
Interventies worden vanuit de verschillende perspectieven anders uitgevoerd
De vraag: overzicht van het continuüm in gebruik
Van experimenteel gebruik tot verslaving
Continuüm van gebruik
Veel gradaties
o Geen gebruik – experimenteel gebruik – occasioneel gebruik – dagelijks – misbruik - verslaving
o Noodzakelijk om de prevalentie binnen de populatie te bekijken
Interpretatie van prevalentiecijfers
Bepaalt type en intensiteit van interventies
Met wat houdt men rekening? Hoeveelheid, frequentie, duur, gevolgen, …
Tabel 1: Verschillende stadia van gebruik met bijbehorende omschrijving
Experimenteel gebruik Fase waarin het gebruik een eerste, enkele keer of af en toe plaatsvindt.
Recreatief gebruikt Drugsgebruik neemt toe maar blijft beperkt tot af en toe, bij bepaalde gelegenheden. Het gebruik
heeft weinig tot geen invloed op andere levensgebieden.
Gewoontegebruik (riskant) Het wordt een gewoonte om met regelmaat, bijvoorbeeld elk weekend, en/of iedere keer bij
bepaalde gelegenheden drugs te gebruiken. Een keer niet gebruiken wordt als gemis ervaren. Dit zijn
signalen dat gebruik een probleem kan worden
Problematisch gebruik Het gebruik wordt problematisch als de gebruiker het gevoel heeft drugs nodig te hebben om zich
beter of socialer te voelen of juist om minder te voelen en dingen te kunnen vergeten.
Het gebruik wordt ook problematisch genoemd als het invloed begint te hebben op meer en meer
levensgebieden: school, studie, werk, sociale contacten, relaties, financiën
Verslaving (‘stoornis in het gebruik In deze fase is het gebruik de dominante factor in iemands leven. Hij of zij gebruikt meer dan
van een middel’) gepland, gebruik en herstel neemt veel tijd in beslag, er is tolerantie voor de effecten, sociale relaties
en andere levensgebieden worden verwaarloosd, er zit geen rem op het gebruik ongeacht de
omstandigheden
Rode stippellijn: vanaf dat moment is er sprake van impact op de levensdomeinen
Druggebruik negatieve impact op relatie, financiën, studies, etc.
Er is evolutie – niet noodzakelijk lineair – fases worden niet altijd allemaal doorlopen
Niet noodzakelijk om bij experimenteel gebruik door te gaan tot andere fasen
1
,Middelen gerelateerde stoornis
DSM-5 criteria (“substance use disorder”)
Controleverlies
1. Vaker en in grotere hoeveelheden gebruiken dan het plan was
2. Mislukte pogingen om te minderen of te stoppen
3. Gebruik en herstel van gebruik kosten veel tijd
4. Sterk verlangen om te gebruiken
Sociaalmaatschappelijke schade
5. Door gebruik tekortschieten op werk, school of thuis
6. Blijven gebruiken ondanks problemen meebrengt in relationele vlak
7. Door gebruik opgeven hobby’s, sociale activiteiten of werk
Fysieke en psychische schade
8. Voortdurend gebruik, zelfs wanneer je daardoor in gevaar komt
9. Voortdurend gebruik ondanks weten dat gebruik lichamelijke of psychische problemen met zich mee brengt
Lichamelijke afhankelijkheid
10. Tolerantie, grotere hoeveelheden nodig hebben om effect nog te voelen.
11. Optreden onttrekkingssymptomen, minder hevig door meer van stof te gebruiken
criteria aanwezig in laatste jaar: 2–3 (mild/beperkt), 4–5 (matig), ≥6 (ernstig)
Middelen gerelateerde stoornis – verslaving
Chronisch, complex en meervoudig probleem
Ruimer dan druggebruik op zich
Bio-psycho-sociale gevolgen: meerdere levensdomeinen
o Fysieke gezondheid
o Mentale gezondheid
o Huisvesting
o Opleiding en tewerkstelling
o Relaties
o Contact justitie
o …
2
, Cijfers zijn een onderschatting / ondergrens
o Ook al is enquête anoniem – velen gaan druggebruik niet toegeven
o Veel populaties waar we weten dat druggebruik hoog ligt: daklozen, gemarginaliseerde populaties,
gevangenispopulaties worden niet geïncludeerd in steekproef
90.000 volwassenen uit 25 landen
Diagnostische criteria (DSM)
Cannabis, cocaïne, heroïne, psychofarmaca zonder voorschrift, …
Ooit stoornis /verslaving onder diegene die drugs gebruiken:
14%
o 14% zal op bepaald moment evolueren naar een
drugsverslaving (1 op 7)
o focus van behandeling
3
, Gebruik levert lang niet altijd problemen op: afhankelijk van meerdere factoren
Het 3M-model (Zinberg, 1984): drie grote factoren bepalen samen het risico
o Mens: persoon die gebruikt (vb. leeftijd, geslacht, persoonlijkheid (impulsief, sensatiezoekend,
genetische aanleg, ook familiecontext)
o Middel: kenmerken van middel (vb. farmacologie en gebruikspatroon) soort drugs
vb. verschil tussen sigaret en joint
gebruikspatroon: hoe vaak + hoeveel
o Milieu: fysieke en sociale context / omgeving (vb. beschikbaarheid en sociaal netwerk)
Hoe makkelijk kan je aan de middelen geraken?
Sociaal netwerk: peers of leeftijdgenoten die ook drugs gebruiken
Verklaart waarom mensen uiteenlopende reacties hebben op hetzelfde middel
Hoe speelt het 3M model in op het continuüm? examenvraag vorig jaar
Persoonlijke karakteristieken (mens)
o Invloed op begin van gebruik
o Invloed op verderzetting van gebruik
Omgevingsfactoren
Farmacologische factoren
o Gebruikspatroon
o Type middel dat men gebruikt
Stepping-stone theory
Escalatietheorie: gebruik van één middel leidt tot gebruik van andere, zwaardere middelen
o “Het begint met een joint en eindigt met heroïne”
Houdt geen rekening met persoon of omgeving legt nadruk / focus op het middel
o Simplistisch
o Redenering: als je kijkt naar alle heroïneverslavingen, zien we dat 99% gestart is met alcohol of
cannabis
Moet noodzakelijke factor zijn in middelengebruik
MAAR niet iedereen die cannabis gebruikt zal ooit heroïne gebruiken
Correlatie VS causaliteit !!!
Progressieve en hiërarchische volgorde van stadia druggebruik
Gateway hypothesis
4