Oefententamen (aanvullend
studiemateriaal)
ASM 4 Financieel Perspectief op Besturen:
Samenvatting Finance & Governance
(MM0313-232422M)
Gemaakt door, studiebegrip, Leer door begrippen!
Voor aankoop, eerst het advies om enkele bladzijde in te zien!
Deze manier van leren is bedoeld om snel de rode draad uit het boek /
module te leren.
Snel een concreet, maar stevig begrip! Bekijk ook de samenvatting,
Leren door begrippen!
Bij voldoende vraag zal hij document gratis worden geüpgraded. Je krijgt
bij een update van het document een mail met gratis de nieuwste versie.
Al heb je het dan hopelijk al behaald!
1
,Gemaakt door: StudieBegrip V1 Oefententamen ASM4
Deel 1 (Vragen 1 t/m 25)
1. Wat is het primaire doel van waardecreatie in een
onderneming?
A. Het maximaliseren van kasstromen ongeacht risico
B. Het behalen van een ROIC hoger dan WACC
C. Het minimaliseren van operationele kosten
D. Het verhogen van de belastingdruk
2. Welke component maakt géén deel uit van de WACC-
berekening?
A. Kosten eigen vermogen
B. Kosten vreemd vermogen
C. Belastingtarief
D. Operationele marge
3. Een bedrijf heeft ROIC = 8% en WACC = 10%. Wat betekent dit?
A. Het bedrijf creëert waarde
B. Het bedrijf vernietigt waarde
C. Het bedrijf is neutraal in waardecreatie
D. Het bedrijf heeft geen kapitaalkosten
4. Wat is een kenmerk van de primaire markt?
A. Handel in bestaande aandelen
B. Uitgifte van nieuwe aandelen of obligaties
C. Verkoop van derivaten
D. Alleen particuliere beleggers actief
5. Welke vorm van marktefficiëntie stelt dat alle publieke
informatie in de prijs zit?
A. Zwakke vorm
B. Semi-sterke vorm
C. Sterke vorm
D. Perfecte vorm
6. Welke ratio meet liquiditeit op korte termijn?
A. ROE
B. Current Ratio
C. WACC
D. Sharpe Ratio
7. Wat is de beslisregel bij NPV-analyse?
A. NPV < 0 → project uitvoeren
B. NPV > 0 → project uitvoeren
C. NPV = 0 → project afwijzen
D. NPV > WACC → project uitvoeren
2
, Gemaakt door: StudieBegrip V1 Oefententamen ASM4
8. Welke factor verhoogt WACC?
A. Lagere rente op schulden
B. Hogere belastingtarieven
C. Hogere risicopremie
D. Lagere beta
9. Wat is een voordeel van het stakeholdermodel?
A. Eenvoudige besluitvorming
B. Focus op korte termijn winst
C. Duurzaamheid en reputatie
D. Geen conflicten tussen belangen
10. Welke component hoort niet in een kasstroomoverzicht?
A. Operationele activiteiten
B. Investeringsactiviteiten
C. Financieringsactiviteiten
D. Dividend per aandeel
11. Wat is het effect van een hogere beta in CAPM?
A. Lager vereist rendement
B. Hoger vereist rendement
C. Geen invloed op rendement
D. Beta beïnvloedt alleen WACC
12. Welke maatstaf geeft rendement per eenheid risico?
A. Sharpe Ratio
B. ROIC
C. WACC
D. Current Ratio
13. Wat is een kenmerk van een zero-coupon obligatie?
A. Betaalt periodieke coupons
B. Wordt altijd tegen premie verhandeld
C. Betaalt alleen hoofdsom op vervaldatum
D. Heeft variabele rente
14. Welke factor beïnvloedt de verdisconteringsvoet niet?
A. Inflatie
B. Risicopremie
C. Operationele marge
D. Basisrente
15. Wat is een nadeel van de Payback-methode?
A. Negeert kasstromen na terugverdientijd
B. Corrigeert voor tijdswaarde van geld
C. Moeilijk te berekenen
D. Maximaliseert waardecreatie
3