1. Transportstelsel
1.1 Bloed
Doel Transportstelsel
• Alle nuttige bestandsdelen tot bij alle celen van complex meercellig organisme te brengen
• Afvoer van afvalstoffen naar excretie-organen van lichaam
Mens = 5l bloed
→ 7% van lichaamsmassa
Hartspier = zorgt dat bloed met grote druk in bloedvaten wordt gepompt
• Bloed = via bloedvaten naar alle weefsels van lichaam gebracht en weer terug naar hart
Circulatiestelsel of transportstelsel = bloedcirculatie via bloedvaten of bloedsomloop
• Gesloten systeem = bestaat uit hart + aangesloten bloedvaten
1.1.1 Functie
Levensnoodzakelijke functies:
1. Transportfunctie
2. Afweer van lichaam tegen ziekteverwekkers
3. Stolsel op plaats van scheur in bloedvaten
4. Betrokken bij
homeostaseprocessen
1.1.2 Bloedplasma Met opmerkingen [ED1]: Waaruit bestaat bloedplasma?
Bloedplasma = vloeibare component
van bloed
• Gezond plasma = lichtgele kleur
• 92% water
• 7% grote eiwitten
• 1% ionen, hormonen, enzymen, voedingstoffen, O2 + afvalstoffen
Grote eiwitten:
1. Albumine
- Behoud van osmotische waarde
➔ Voldoende vocht in bloedvaten blijft
- Bindt + transporteert verschillende stoffen
➔ Hormonen, vitaminen + medicatie
2. Globulines
- Antilichamen/ immunoglobulines
➔ Afweer
➔ Binden zich aan ziekteverwekkers waardoor uitgeschakeld
worden
3. Fibrionogeen
- Stollingseiwit
➔ Zorgt voor bloedstolling
Ionen betrokken bij:
• Stand houden van osmotische druk
• Ontstaan van membraanpotentialen
• Behoud van juiste zuur-base-evenwicht
Fibrine = onoplosbaar + vormt samen met bloedcellen stolsel
➔ Serum = plasma waarin geen fibrinogeen zit
, ANATOMIE EN FYSIOLOGIE
1.1.3 Soorten bloedcellen Met opmerkingen [ED2]: Wat is functie van het bloed?
Elke bloedcel = beperkte levensduur + gedurende leven van organisme in rode beenmerg Bloedstolling, transportfunctie, homeostase processen
aangemaakt uit bloedvormende of hematopoëtische stamcellen Met opmerkingen [ED3]: Uit welke cellen worden
bloedcellen aangemaakt? Waar bevinden ze zich
➔ Multipontente stamcellen (= cellen in staat om zich om te vormen tot verschillende soorten
Met opmerkingen [ED4R3]: Hematopoëtische stamcellen
bloedcellen) in beenmerg
➔ Bij vorming ondergaan stamcellen verschillende stadia van differentiatie, voor ze rijp zijn +
in bloed terechtkomen
Hematopoëse = continu aanmaak van verschillende soorten bloedcellen in beenmerg
➔ In beenmerg (borstbeen, botten in bekken + kop dijbeen) = bevindt rood beenmerg dat uit
bloedvormend weefsel
Rode bloedcellen
Rode bloedcellen/ erytrocyten
• 4 tot 6 miljoen per mm3
• 7,2
• Levensduur = 120 dagen
• Vorm = biconcave schijven
➔ Midden ingedeukt waardoor schijfvormig + dubbelbol worden
• Geen celkern (rode bloedlichaampjes)
• Bevatten eiwit hemoglobine
➔ 400 miljoen moleculen hemoglobine per rode bloedcel
• Transporteren O2
Hemoglobine
• 4 polypeptideketens + telkens heemgroep:
➔ Organische molecule met Fe2+ (rood kleur bloed)
➔ O2 binden
Transport van zuurstof door rode bloedcel:
1. Door diffusie word zuurstof doorheen membraan van rode bloedcel getransporteerd.
2. Via celmembraan neemt rode bloedcel in O2 rijke omgeving via bloedvaten in longen O2 op.
3. O2 bindt zich in rode bloedcel aan hemoglobine en wordt getransporteerd naar cellen en
weefsels.
4. Omgeving bevat minder O2 waardoor het aan hemoglobine gebonden O2 weer loskomt.
5. Via diffusie verlaten de rode bloedcel om naburige cellen te voorzien van
levensnoodzakelijke O2.
Belangrijk!!
• Cellen continu O2 nodig voor celademhaling
➔ Productie van ATP (= energieleverancier van lichaam)
• Onvoldoende rode bloedcellen
➔ Moe, slap
➔ Niet goed inspanningen door gebrek aan ATP
, ANATOMIE EN FYSIOLOGIE
Witte bloedcellen
Witte bloedcellen/ leukocyten
• Afweer van lichaam tegen ziekteverwekkers
➔ Opruimen gebeurt door fagocytose
• 10 m
• 4 000 tot 10 000 per mm3
• Enkele uren granulocyten +
monocyten
• Enkele weken/maanden lymfocyten
• Geen vaste vorm
➔ Kunnen vervormen
• Celkern
Verschillende vormen:
1. Granulocyten = korrels/ granulen in cytoplasma
- Basofielen = brengen ontstekingsreactie op gang
- Neutrofielen = vormen belangrijke verdedigingslinie tegen ziekteverwekkers
- Eosinofielen = bestrijden parasieten
2. Agranulocyten = zonder korrels
- Monocyten = doen aan fagocytose, ruimen beschadigde/ oude bloedcellen op
➔ Bloedbaan treden, worden ze groter = macrofagen
- Lymfocyten = betrokken bij cellulaire + humorale afweerreactie
➢ T-lymfocyten = geïnfecteerde of zieke cellen vernietigen
➢ B-lymfocyten = ziekteverwekkers onschadelijk maken door aanmaak van antilichamen
Bloedplaatjes
Bloedplaatjes/ trombocyten
• Celfragmenten afkomstig van voorlopercellen uit beenmerg
• Geen celkern
• Eigen stofwisseling
• Levensduur = 10 dagen
• 2 tot 5 m
• 150 000 tot 400 000 per mm3
• Functie = bloedstolling
➔ Beschadig van bloedvatwand zullen
blijven plakken
➔ Stoffen komen vrij die bloedplaatjes
doen samenklonteren
1.1.4 Stolling van bloed
Stollingscascade
• Bloedplaatjes + stollingsfactoren
➔ Bv fibrinogeen
• Extrinsieke + intrinsieke route + gemeenschappelijke route