Toetsvragen blok 2 PGZ2022
Toetsvragen taak 1:
1. Waarom is het van belang om als eerste stap een gezondheidsanalyse uit te voeren?
2. Leg uit wat een relatief risico is en leg uit waarom in het artikel van Lippi, Mattiuzzi, &
Cervellin (2016) veel gebruik wordt gemaakt van deze associatiemaat?
3. Het bewijs voor een oorzakelijk verband tussen gedrag en gezondheid is sterker als aan een
aantal voorwaarden wordt voldaan. Welke voorwaarden zijn dit? Noem er drie.
4. Er is een aantal kenmerken van epidemiologisch onderzoek dat in meer of mindere mate
bepaalt hoe zeker we kunnen zijn dat een in onderzoek gevonden relatie tussen een vorm
van gedrag en een gezondheidsprobleem ook werkelijk een oorzakelijk verband heeft. Welke
kenmerken zijn dit? Noem er twee.
5. Leg uit wat biologische plausibiliteit inhoudt.
6. Wat is het verschil tussen QALY en DALY?
7. Waarom is een RCT (Randomized Controlled Trial) het beste onderzoeksexperiment om uit te
voeren wanneer er wordt gezocht naar een causaal verband?
8. Benoem 2 van de drie vormen van verstorende variabelen en leg uit hoe deze werken.
9. Wat is de rol van omgevingscondities in de individuele gezondheid en wie is hier
verantwoordelijk voor?
10. Waarom behoren vaak voorkomende ziekten, zoals een neusverkoudheid, niet tot de meest
belangrijke?
11. Wat zijn de vijf stappen van planmatige gezondheidsbevordering?
12. Er zijn drie soorten verstorende variabelen: confounding, mediatie en moderatie. Welke soort
verstorende variabele is ‘piekeren’ bij de risicofactor stress en de aandoening depressie?
13. Leg uit en onderbouw hoe de risicofactoren van ziekte en aandoening met elkaar verbonden
zijn door een voorbeeld.
14. Mensen worden tegenwoordig ouder maar hebben wel meer ziektes, leg uit dat de
gezondheid van NL toch omhoog is gegaan en waaraan je dit kunt zien.
15. Brug beschrijft dat in de praktijk niet altijd wordt begonnen met stap 1 van het Model van
Planmatige Gezondheidsbevordering en Gedragsverandering. Wat is het risico hiervan?
16. Leg uit waarom rekening dient te worden gehouden met het ‘Geslacht’ als in kaart wordt
gebracht waarlangs verschillen in ongezond gedrag zich kunnen voordoen.
17. Wat is gezondheidsbevordering?
18. Een methode om een gedrag te meten is een vragenlijst onderzoek. Welke twee nadelen
komen hierbij kijken?
19. Noem 3 valkuilen die komen kijken bij gezondheidsvoorlichting
20. Noem de verschillende niveaus van omgevingsdeterminanten.
Toetsvragen taak 1:
1. Waarom is het van belang om als eerste stap een gezondheidsanalyse uit te voeren?
2. Leg uit wat een relatief risico is en leg uit waarom in het artikel van Lippi, Mattiuzzi, &
Cervellin (2016) veel gebruik wordt gemaakt van deze associatiemaat?
3. Het bewijs voor een oorzakelijk verband tussen gedrag en gezondheid is sterker als aan een
aantal voorwaarden wordt voldaan. Welke voorwaarden zijn dit? Noem er drie.
4. Er is een aantal kenmerken van epidemiologisch onderzoek dat in meer of mindere mate
bepaalt hoe zeker we kunnen zijn dat een in onderzoek gevonden relatie tussen een vorm
van gedrag en een gezondheidsprobleem ook werkelijk een oorzakelijk verband heeft. Welke
kenmerken zijn dit? Noem er twee.
5. Leg uit wat biologische plausibiliteit inhoudt.
6. Wat is het verschil tussen QALY en DALY?
7. Waarom is een RCT (Randomized Controlled Trial) het beste onderzoeksexperiment om uit te
voeren wanneer er wordt gezocht naar een causaal verband?
8. Benoem 2 van de drie vormen van verstorende variabelen en leg uit hoe deze werken.
9. Wat is de rol van omgevingscondities in de individuele gezondheid en wie is hier
verantwoordelijk voor?
10. Waarom behoren vaak voorkomende ziekten, zoals een neusverkoudheid, niet tot de meest
belangrijke?
11. Wat zijn de vijf stappen van planmatige gezondheidsbevordering?
12. Er zijn drie soorten verstorende variabelen: confounding, mediatie en moderatie. Welke soort
verstorende variabele is ‘piekeren’ bij de risicofactor stress en de aandoening depressie?
13. Leg uit en onderbouw hoe de risicofactoren van ziekte en aandoening met elkaar verbonden
zijn door een voorbeeld.
14. Mensen worden tegenwoordig ouder maar hebben wel meer ziektes, leg uit dat de
gezondheid van NL toch omhoog is gegaan en waaraan je dit kunt zien.
15. Brug beschrijft dat in de praktijk niet altijd wordt begonnen met stap 1 van het Model van
Planmatige Gezondheidsbevordering en Gedragsverandering. Wat is het risico hiervan?
16. Leg uit waarom rekening dient te worden gehouden met het ‘Geslacht’ als in kaart wordt
gebracht waarlangs verschillen in ongezond gedrag zich kunnen voordoen.
17. Wat is gezondheidsbevordering?
18. Een methode om een gedrag te meten is een vragenlijst onderzoek. Welke twee nadelen
komen hierbij kijken?
19. Noem 3 valkuilen die komen kijken bij gezondheidsvoorlichting
20. Noem de verschillende niveaus van omgevingsdeterminanten.