Europese Rechtsgeschiedenis midterm:
Hoorcollege 1-2:
Gaius Julius Caesar 100 - 44 v. Chr.
Het Romeinse recht wordt teruggevonden en verwerkt in het recht van
tegenwoordig.
Grote periodes:
Livius
753 v Chr Koningstijd machtsconcentratie
De koning was de baas over de hele samenleving, wat de koning zei was wet. De
senaat gaf hem advies, maar meer dan advies deden zij niet. Meer dat dit is er niet
echt bekend over deze tijd. Op een gegeven moment werden de Romeinen dit zat en
zetten ze de koning buiten en toen kwam er een machtsverdeling
Livius
507 v Chr Republiek machtsverdeling
De macht werd verdeeld onder veel staatsorganen, dus de macht was verdeeld.
Deze organen waren bemand met meerdere personen dus de macht was hier ook
verdeeld zodat niemand de macht kon grijpen. Caesar wilde hier alleen een stokje
voor steken en probeerde de macht te krijgen, dit lukte hem niet want hij werd
vermoord, maar zijn streven werd werd overgenomen door zijn erfgenaam. Hij gaf
dus de aanzet naar een niet nieuwe machtsconcentratie, de keizertijd.
Vroege republiek 509 v Chr.
Late Republiek 264 v Chr.
Caesar
27 v Chr Keizertijd machtsconcentratie
Aangezet doordat Caesar dit wilde en dit was overgebracht naar zijn erfgenamen en
dit inspireerde mensen.
Vroege Keizertijd 27 v Chr.
Late Keizertijd 28 n Chr.
Hier kwamen keizers die los van alle republikeinen wilde blijven.
, Koningstijd:
Rome werd gebouwd door Etrusken, hier waren
verschillende koninkrijkjes, zelfstandige stadstaten. Ze
wilde handelen met andere delen van de wereld, vooral
uit zuiden (Zuid-Italië / Sicilië/Griekenland), en bouwde
hiervoor Rome. Ze veroverde hiervoor delen van de
Latijnen (lichtgroen) en Sabijnen (wit) → En dit werden
de Romeinen. Rome werd geleid door koningen, er
waren eerst Etrusken die de koning waren, maar
uiteindelijk werden dit de Romeinen die de macht
overnamen toen wij steeds meer van Europa veroverd
hadden.
Ook waren er volksvergaderingen, de monitia curiata,
waarvan de taken vooral op militair gebied lagen en later waarschijnlijk op sacraal
gebied lagen.
Toen de laatste koning was afgezet kreeg Rome de staatsvorm van een republiek.
De koninklijke macht werd verdeeld over een groot aantal ambten. De senaat stond
aan het hoofd van al deze ambten. De senaat werd voorgezeten door twee consuls.
Vanaf 367 v Chr. werden deze consuls terzijde gestaan door twee praetoren, deze
werden weer geassisteerd door quaestoren, die onder meer waren belast met het
beheer van de staatskas.
Er was een strijd tussen de patriciërs (de rijkere) en de plebejers (de armere).
Door deze strijd kwamen er verschillende veranderingen:
Tribuni plebis: volkstribunen met het recht van veto
De wet van twaalf tafelen; ius civile (codificatie)
Praetor: instelling van een nieuw ambt, met een deel van het imperium. Dit
kwam er omdat de plebejers een van de consults wilden hebben zodat zij
meer macht zouden hebben. Dit is de soort priester waar je eerst heen moet
om te vragen of je naar de rechter mocht gaan om een besluit te krijgen over
het conflict.
De praetor kon wetten instellen die voor 1 jaar geldig zouden gaan.
Lex Hortensia: een wet die zegt dat de besluiten die genomen werden in de
volkstribunen van de plebejers ook voor de patriciërs zouden gelden, hiermee
werd het dus een beetje gelijk getrokken. Hierdoor is er een soort einde
gekomen aan de klassenstrijd.
Er waren censoren die de bevolkingslijsten van namen en de vermogens van alle
ingezetenen bijhielden, de zogeheten census. Aan de hand hiervan werd de
dienstplicht van de burgers vastgesteld en de belasting berekend.
, Comitia centuriata: sprak uit over benoemingen van consuls, praetoren en de
censoren en behandelde de wetsvoorstellen die door deze magistraten waren
ingediend.
Comitia tributa: sprak uit over de quaestoren en de andere lagere gekozen en
de kleinere wetsvoorstellen.
Concilium plebis: de vergadering voor de Romeinse plebejers, de
volksvergadering.
In deze vergaderingen waren alleen de patriciërs vertegenwoordigd, dus niet de
lagere standen, de plebejers, deze kregen pas vanaf 471 v Chr, het recht om een
eigen vergadering bijeen te roepen. Vanaf 287 v Chr, mochten ook zij meedoen aan
de grote vergaderingen en dus meebepalen over wetten voor iedereen.
Staatkundige instituties:
> De senaat (regering):
Voorgezeten door consuls: de hoogste magistraten
Vaardigt wetten uit, spreekt zich uit over voorstellen van de volksvergadering en
bekrachtigt de benoeming van magistraten en heeft bestuurlijke taken
> Magistratuur: verzamelnaam voor ambtenaren waaronder de macht werd verdeeld
- De consuls: hoogste ambt
- Preator: stond de consuls bij
- De Quastor: Financiële ambtenaren
- De censoren: houden een lijst van alle ingezetenen uit (census)
> Volksvergadering (Comitia Curiata):
- Aanvankelijk hetzelfde als de koningstijd
Later gesplitst:
1. Comitia Centuriata: de benoeming van Consuls, Preatoren en Censoren en
behandelde wetsvoorstellen die door de magistraten waren ingediend.
2. Comitia Tributa: kiezen de Quastoren en andere lagere magistraten en
behandelen kleine wetsvoorstellen.
- Aanvankelijk alleen voor de hogere stand (particiërs), later kregen de lager standen
(plebjers) een eigen vergadering:
1. Concilium plebis: nam wetten aan die alleen voor hen golden.
Hoorcollege 1-2:
Gaius Julius Caesar 100 - 44 v. Chr.
Het Romeinse recht wordt teruggevonden en verwerkt in het recht van
tegenwoordig.
Grote periodes:
Livius
753 v Chr Koningstijd machtsconcentratie
De koning was de baas over de hele samenleving, wat de koning zei was wet. De
senaat gaf hem advies, maar meer dan advies deden zij niet. Meer dat dit is er niet
echt bekend over deze tijd. Op een gegeven moment werden de Romeinen dit zat en
zetten ze de koning buiten en toen kwam er een machtsverdeling
Livius
507 v Chr Republiek machtsverdeling
De macht werd verdeeld onder veel staatsorganen, dus de macht was verdeeld.
Deze organen waren bemand met meerdere personen dus de macht was hier ook
verdeeld zodat niemand de macht kon grijpen. Caesar wilde hier alleen een stokje
voor steken en probeerde de macht te krijgen, dit lukte hem niet want hij werd
vermoord, maar zijn streven werd werd overgenomen door zijn erfgenaam. Hij gaf
dus de aanzet naar een niet nieuwe machtsconcentratie, de keizertijd.
Vroege republiek 509 v Chr.
Late Republiek 264 v Chr.
Caesar
27 v Chr Keizertijd machtsconcentratie
Aangezet doordat Caesar dit wilde en dit was overgebracht naar zijn erfgenamen en
dit inspireerde mensen.
Vroege Keizertijd 27 v Chr.
Late Keizertijd 28 n Chr.
Hier kwamen keizers die los van alle republikeinen wilde blijven.
, Koningstijd:
Rome werd gebouwd door Etrusken, hier waren
verschillende koninkrijkjes, zelfstandige stadstaten. Ze
wilde handelen met andere delen van de wereld, vooral
uit zuiden (Zuid-Italië / Sicilië/Griekenland), en bouwde
hiervoor Rome. Ze veroverde hiervoor delen van de
Latijnen (lichtgroen) en Sabijnen (wit) → En dit werden
de Romeinen. Rome werd geleid door koningen, er
waren eerst Etrusken die de koning waren, maar
uiteindelijk werden dit de Romeinen die de macht
overnamen toen wij steeds meer van Europa veroverd
hadden.
Ook waren er volksvergaderingen, de monitia curiata,
waarvan de taken vooral op militair gebied lagen en later waarschijnlijk op sacraal
gebied lagen.
Toen de laatste koning was afgezet kreeg Rome de staatsvorm van een republiek.
De koninklijke macht werd verdeeld over een groot aantal ambten. De senaat stond
aan het hoofd van al deze ambten. De senaat werd voorgezeten door twee consuls.
Vanaf 367 v Chr. werden deze consuls terzijde gestaan door twee praetoren, deze
werden weer geassisteerd door quaestoren, die onder meer waren belast met het
beheer van de staatskas.
Er was een strijd tussen de patriciërs (de rijkere) en de plebejers (de armere).
Door deze strijd kwamen er verschillende veranderingen:
Tribuni plebis: volkstribunen met het recht van veto
De wet van twaalf tafelen; ius civile (codificatie)
Praetor: instelling van een nieuw ambt, met een deel van het imperium. Dit
kwam er omdat de plebejers een van de consults wilden hebben zodat zij
meer macht zouden hebben. Dit is de soort priester waar je eerst heen moet
om te vragen of je naar de rechter mocht gaan om een besluit te krijgen over
het conflict.
De praetor kon wetten instellen die voor 1 jaar geldig zouden gaan.
Lex Hortensia: een wet die zegt dat de besluiten die genomen werden in de
volkstribunen van de plebejers ook voor de patriciërs zouden gelden, hiermee
werd het dus een beetje gelijk getrokken. Hierdoor is er een soort einde
gekomen aan de klassenstrijd.
Er waren censoren die de bevolkingslijsten van namen en de vermogens van alle
ingezetenen bijhielden, de zogeheten census. Aan de hand hiervan werd de
dienstplicht van de burgers vastgesteld en de belasting berekend.
, Comitia centuriata: sprak uit over benoemingen van consuls, praetoren en de
censoren en behandelde de wetsvoorstellen die door deze magistraten waren
ingediend.
Comitia tributa: sprak uit over de quaestoren en de andere lagere gekozen en
de kleinere wetsvoorstellen.
Concilium plebis: de vergadering voor de Romeinse plebejers, de
volksvergadering.
In deze vergaderingen waren alleen de patriciërs vertegenwoordigd, dus niet de
lagere standen, de plebejers, deze kregen pas vanaf 471 v Chr, het recht om een
eigen vergadering bijeen te roepen. Vanaf 287 v Chr, mochten ook zij meedoen aan
de grote vergaderingen en dus meebepalen over wetten voor iedereen.
Staatkundige instituties:
> De senaat (regering):
Voorgezeten door consuls: de hoogste magistraten
Vaardigt wetten uit, spreekt zich uit over voorstellen van de volksvergadering en
bekrachtigt de benoeming van magistraten en heeft bestuurlijke taken
> Magistratuur: verzamelnaam voor ambtenaren waaronder de macht werd verdeeld
- De consuls: hoogste ambt
- Preator: stond de consuls bij
- De Quastor: Financiële ambtenaren
- De censoren: houden een lijst van alle ingezetenen uit (census)
> Volksvergadering (Comitia Curiata):
- Aanvankelijk hetzelfde als de koningstijd
Later gesplitst:
1. Comitia Centuriata: de benoeming van Consuls, Preatoren en Censoren en
behandelde wetsvoorstellen die door de magistraten waren ingediend.
2. Comitia Tributa: kiezen de Quastoren en andere lagere magistraten en
behandelen kleine wetsvoorstellen.
- Aanvankelijk alleen voor de hogere stand (particiërs), later kregen de lager standen
(plebjers) een eigen vergadering:
1. Concilium plebis: nam wetten aan die alleen voor hen golden.