18-11-2020
Inhoud
• Opfrissen basiskennis
o Bloedsomloop en Hart
• Coronaire circulatie
• Regeling hartactie
o Slagvolume en Hartfrequentie
• Prikkelvorming en geleiding
o Hartspierweefsel / Myocard
o ECG
• Hartcyclus
Diastole en Systole
• diastole:
o ventrikels ontspannen, bloed stroomt naar binnen
• systole:
o ventrikels trekken samen, bloed wordt weggepompt
Coronaire circulatie
Vanuit aorta:
• Linker coronair arterie
• Rechter coronair arterie
Via Sinus coronarius: terug naar rechter atrium
Tijdens diastole vindt er circulatie plaats in de coronaire arteriën
Hartminuutvolume
• HMV = slagvolume x hartfrequentie
o HMV in rust 5 l. / min
o Bij dynamische inspanning toename tot 25 l. / min of meer
▪ (o.i.v. Sympatische zenuwstelsel) - (sportershart kan tot 40 l. /min)
• slagvolume in rust bijv. 80 ml, eind diastolisch volume 120 ml, ejectiefractie = 80/120= 67 %
o Blijft 40 ml achter in het hart
Slagvolume
• Grotere ventrikels: vullen zich met meer bloed
o meer bloed per slag wordt weggepompt
• Sterkere hartspieren hebben een grotere contractiekracht = Contractiliteit.
o kunnen meer bloed per slag wegpompen
• O.i.v zenuwstelsel – Sympaticus (inspanning) – groter Slagvolume
• Frank-Starling principe
o grotere vulling - geeft krachtigere slag – geeft groter slagvolume
,Hartfrequentie
• Prikkel ontstaat in Sinusknoop = SA-knoop
• Intrisieke hartfrequentie – eigen frequentie hart
o 100 /110 per minuut – in geïsoleerd hart
• Hartfrequentie – Sinusritme normaal gesproken
o Rust: 50-80 slagen/min
o Maximaal: 220- leeftijd
• Invloed van o.a.: Inspanning, stress en ontspanning
Beïnvloeding hartactiviteit door het vegetatieve zenuwstelsel – HF en SV
• Sympaticus
o Hartactiviteit neemt toe o.a. bij inspanning
• Parasympaticus
o Hartactiviteit neemt af o.a. bij rust
Depolarisatie (actiepotentiaal van het hart)
a) Normaal
b) Sympathisch zenuwstelsel
o Eerdere snelle depolarisatie waardoor je hartslag omhoog gaat
c) Parasympatisch zenuwstelsel
o Langzamere depolarisatie waardoor hartslag minder snel gaat en verminderd.
Hartwand en hartspierweefsel
Directe prikkeloverdracht: tussen myocardcellen via Nexus-verbindingen.
Hart werkt als een Syncytium: een eenheid. Elke myocardcel stuurt een ander aan → eigen prikkeling
Geleidingssysteem hart - Potentiaalveranderingen verschillende hartspiercellen
• SA-knoop (sinusknoop, primaire pacemaker)
• AV-knoop
o Vertraging – wachtend op goede vulling van ventrikel
o latente pacemaker (30 – 40 actiepotentialen per min.)
• Bundel van His
o Snelle impulsgeleiding
o Latente pacemaker
• Purkinjevezels
• Ventrikelspiervezels
Depolarisatie ventrikels uitslag elektrode afhankelijk van plaats
• Vector – Prikkelfront heeft:
o Grootte
o Richting
,Wat is er te zien in het ECG?
• P = depolarisatie atria
• QRS = depolarisatie ventrikels
• T = repolarisatie ventrikels
Repolarisatie van de atria zit verstopt in het QRS-complex
Longcirculatie
• Functie: O2 opname uit en CO2 afgifte aan milieu exterieur
• In serie geschakeld met de lichaamscirculatie
• Lagere druk (dan lichaamscirculatie): mm Hg
Problemen in longen als het hart slecht functioneert: Longoedeem
Fasen van de hartcyclus
o Atriumcontractie – (hoort bij Diastole)
• Ventrikelcontractie – Systole:
o Isovolumetrische contractiefase
o Ejectiefase
• Diastole:
o Isovolumetrische relaxatie
o Vullingsfase
• Volgende
o Atriumcontractie
, Hoorcollege 2, Coronairlijden (AP en MI)
20-11-2020
Klinisch redeneren bij “pijn op de borst”
In welke orgaansystemen kan het probleem zitten?
Welke organen vind je op de plek van de pijn?
Differentiaal Diagnose
Huid Herpes Zoster (Gordelroos)
Ribben/spieren Syndroom van Tietze (ontsteking bij ribben)
Trauma (kneuzingen bijv.)
Longen Longembolie (ischemische pijn)
Spanninspneumothorax (klaplong)
Hart Angina Pectoris
Myocardinfarct
Aorta Aortadissectie (bloed tussen verschillende spierlagen, kan leiden tot aneurysma)
Slokdarm Slokdarmspasme
Reflux oesofagitis (terugstromend maagzuur dat zorgt voor ontsteking)
Maag/darm Galsteenkoliek
Ulcusziekte (maagzweer)
Psychogeen Paniekaanval
Hyperventilatie
Differentiëren door…
Vraag naar/onderzoek:
• Soort pijn (Stekend? Drukkend? Klemmend?)
• Locatie (Op 1 locatie of in heel gebied? Wisselende locatie of altijd hetzelfde?)
• Moment van optreden van de pijn
• Aanhouden/duur pijn (hoelang duurt het, wanneer zakt het af?)
• Invloed bewegen
• Invloed ademhaling
• Lokale palpatiepijn
Voorbeelden klinisch redeneren