Analyse en aanpak van interactieproblemen in
professionele opvoedingssituaties
Rob Verstegen & Henny Lodewijks
Hoofdstuk 1 t/m 3
, Hoofdstuk 1 – De interactionele theorie
Inleiding van het boek
In onze benadering praten we niet over een probleemkind maar over een kind in een
probleemsituatie. Een kind zit in een probleemsituatie als zij denken, handelen, voelen en
willen niet samenvallen met de belangen en doelen van belangrijke anderen in de sociale
omgeving van het kind. Haselager onderscheidt vier aanknopingspunten voor
behandeling:
• Cognitie: de kennis en het inzicht dat het kind van de situatie heeft;
• Vaardigheden: de beheersing van sociale vaardigheden die een rol spelen in de
situatie;
• Gevoel: emoties die in een situatie een rol spelen en de regulering daarvan;
• Willen of waardeoriëntatie: dat wat het kind belangrijk vindt in een situatie.
Opvoedingsproblemen worden door ons geanalyseerd als omgangsproblemen, ofwel
interactieproblemen. De interactiewijzer is primair gericht op kinderen bij wie de opvoeder
zich duidelijk zorgen maakt vanwege hun chronische en moeilijk te corrigeren
omgangsproblemen.
1.1 Inleiding
Praten over gedragsproblemen bij kinderen roept in professionele opvoedingssituaties vaak
een Babylonische spraakverwarring op (onbegrip tussen mensen en niet snappen waar de ander het
over heeft). Redenen hiervoor zijn:
1. Vaak het ontbreken van een helder begrippenander dat iedereen zou kunnen
hanteren en dat men zich gemakkelijk eigen kan maken voor het omschrijven van
problemen.
2. Er zijn verschillende ‘geloven’ te vinden voor zowel verklaring als oplossing van
problemen met kinderen.
1.2 Het model van Leary
Leary geeft een overzicht van de verschillende manieren waarop mensen zich tot elkaar
kunnen verhouden. Persoonlijke kenmerken worden door hem beschreven in termen van
interactioneel gedrag. Hij beoogt dat eigenschappen van mensen hoofdzakelijk gevormd
worden in de interactie tussen mensen. Leary benadrukt de wederkerige beïnvloeding. Het
gedrag van A beïnvloedt B en de reactie van B beïnvloedt A weer.
Interactioneel gedrag heeft volgens Leary een basale overlevingsfunctie. De drijvende kracht
achter interpersoonlijk gedrag is de vermindering van angst en dan vooral van verlatings- en
vernietigingsangsten. Ook wordt er gestreefd naar het opbouwen van een gevoel van
eigenwaarde en het in stand houden hiervan. Mensen proberen de aard van hun relaties zo
te beïnvloeden dat ze bepaalde gedragingen niet hoeven te vertonen. Door dit
vermijdingsgedrag wordt het interactierepertoire natuurlijk ingeperkt en kunnen zich door
gewoontevorming karakteristieke interactiestijlen ontwikkelen. Deze stijlen ontstaan niet
plotseling, maar meestal geleidelijk vanaf kinds zijn.
Twee dimensies
Er zijn zoveel verschillende manieren van omgang tussen mensen, dat het haast
onwaarschijnlijk lijkt om een indeling te maken. Toch blijkt uit onderzoek van Kiesles en
McLemore & Brokaw dat er een bevredigende indeling is te maken met behulp van de twee
dimensies die Leary opvoert.
Rob Verstegen & Henny Lodewijks
Interactiewijzer: analyse en aanpak van interactieproblemen in professionele opvoedingssituaties