H1: de sociologische benadering
1) Sociologie
➢ Systematische studie van
▪ Interacties (tussen personen en/of sociale eenheden
▪ Bepaling van de omgeving (en met als resultaat vaste patronen)
▪ Menselijk gedrag
2) Archaïsche samenleving
➢ Verklaringen zoeken buiten de mens (magisch-religieus)
3) Huidige samenl
➢ Verklaringen zoeken in de samenleving zelf
➢ Empirische toetsing (proefondervindelijk) om tot generalistische uitspraken te
komen
4) De sociologische verbeelding
➢ =het vermogen om persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen in verband te
brengen met bredere sociale en historische structuren
➢ helpt ons te begrijpen dat wat er gebeurt in ons persoonlijke leven niet losstaat
van de maatschappelijke context waarin we leven.
5) Sociaal handelen
➢ = verwijst naar het gedrag van mensen dat gericht is op of beïnvloed wordt door
anderen in de samenleving
➢ Geeft aan hoe individuen handelen in relatie tot hun sociale omgeving
De 4 type van sociaal handelen volgens Weber:
6) Instrumenteel-rationeel handelen
➢ = er wordt een afweging gemaakt
welke middelen het best geschikt zijn om doel te bereiken
➢ Vb: een student die een studie kiest met het oog op toekomstige carrièrekansen,
handelt instrumenteel rationeel.
7) Waarde-rationeel handelen
➢ Handelen wordt geleid door waarden en principes, ongeacht de uitkomst.
1
, ➢ Mensen handelen vanuit overtuigingen of ethische overwegingen
➢ Vb: iemand die milieubewust leeft omdat ze geloven in duurzaamheid, ongeacht
of het praktisch of economisch voordelig is, handelt waarde- rationeel.
8) Affectief handelen
➢ Gedreven door emoties of gevoelens.
➢ gedrag dat spontaan of impulsief is en vaak niet bewust is gepland.
➢ Vb: iemand die uit woede een deur dichtgooit of uit vreugde iemand omhelst,
handelt affectief.
9) Traditioneel handelen
➢ Gedrag is gebaseerd op gewoontes en tradities.
➢ Mensen handelen op een bepaalde manier omdat het altijd zo is gedaan, zonder
er veel bij na te denken
➢ Vb: bepaalde religieuze rituelen of familietradities worden vaak uit gewoonte
gevolgd.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
10) Interactie
➢ Handelingen van een persoon én de reactie daarop door een
➢ andere persoon.
➢ Het proces van wederzijdse beïnvloeding tussen personen of
➢ sociale eenheden
➢ Geslaagd indien 'opdat'- en 'omdat'- motieven onderling worden
➢ Afgestemd
11) Opdat-motief
➢ Alter
➢ Motief dat erop wijst dat iemand iets wil realiseren en zich daar min of meer
bewust mentaal op voorbereidt
➢ Drijfveren
12) Omdat- motief
➢ Motief dat erop wijst dat iemand reageert op het 'opdat’-motief van een ander
➢ Ego
2
,Wat zijn de 5 basisvormen van interactie?
13) Conformiteit of aanpassing
➢ = de interactievorm waarbij de partijen zich aanpassen aan elkaars
rolverwachtingen of aan de normatieve verwachtingen in de groep
➢ Onderscheiding 2 elementen
▪ Een wederzijds akkoord over interactiesituatie
▪ Een akkoord over hoe de overdracht zal verlopen
➢ Conform gedrag deviant of afwijkend gedrag
14) Uitwisseling of ruil
➢ Uitwisseling
▪ De interactie steunt op de wederzijdse kost en profijt
▪ Kost moet proportioneel zijn aan de winst
▪ Tit for tat
15) Samenwerking
➢ Interactie gericht op het verwezenlijken van een gemeenschappelijk doel
➢ Doet zich voor vanaf dat een situatie normen impliceert
16) Competitie
➢ Interactie gericht op het verwezenlijken van eenzelfde doel dat schaars is
▪ Vaak via spelregels
17) Conflict
➢ Interactie gebasseerd op tegenstellingen
▪ Gevolg van ongelijke controle over schaarse en gewaardeerde middelen
(materiële en immateriële)
• Vb: geld, waarden, aanzien, macht, …
➢ Is een poging om de interactie te laten verlopen volgens…
▪ Eigen zienswijze
▪ De zienswijze van de eigen groep
➢ Zijn niet alijd slecht
▪ Kunnen een positieve bijdrage vormen tot de opbouw en versterking van
de samenleving
• Vb: UVRM
➢ Conflict samenwerking
▪ Zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar
3
, Wat zijn de 3 vormen van van on-evenwicht in de interactie?
18) Macht
➢ Interactie gebaseerd op de mogelijkheid om handelingsmogelijkheden van de
andere te sturen
19) Gezag
➢ Interactie gebaseerd op een aanvaarde en bewust ervaren vorm van
machtsuitoefening
➢ De kans dat er wordt ingegaan op specifieke bevelen, vragen en aanwijzingen is
er groot
20) Manipulatie
➢ Interactie gebaseerd op een machtsuitoefening
▪ Waarbij diegene die beïnvloed wordt zich niet bewust is van de
machtsuitoefening
H2: institutionalisering, cultuur en socialisatie
21) Instituties (2 elementen)
➢ Vast collectief gedrag
▪ Vaste patronen en gedragingen
• Vb: hoe gaan we om met conflicten?
➢ Dat gericht is op het realiseren van doelstellingen in de samenleving
22) Experiment van Mereï
➢ Pp
23) Institutie
➢ = gedragspatroon
➢ Geen specifiek gebouw
4