Staats- en Bestuursrecht
Rechtsgeleerdheid 1
Gwen Roelofs
734737gr
STAATS- EN
BESTUURSRECHT
Belinfante en de Reede
Hoofdstuk 1
1.1 Benadering van het begrip staat
Staat= een organisatie die met voorrang boven andere organisaties effectief gezag
uitoefent over een gemeenschap van mensen op een bepaald grondgebied. De
gemeenschap die een staat vormt, heeft vaak ook een gemeenschappelijke cultuur.
Zij is ook een rechtsgemeenschap ==> de belangrijkste waarden zijn in door dwang
te handhaven leefregels neergelegd (kenmerkend voor een staat, geweld door
particulieren zal de staat slechts bij hoge uitzondering toelaten).
Erkenning door andere staten aanwijzing uitvoering effectief gezag, maar geen
formeel vereiste.
Toelating tot de VN versterkt de rechtspositie van het land in het internationale
verkeer.
Juristen van hun kant zullen opmerken dat er regels zijn die niet door dwang
gehandhaafd kunnen worden. Dit geldt in het bijzonder voor de staatsrechtelijke
gedragsregels voor de allerhoogste staatsorganen. Dwang in de zin van toepassing
van het staatsgeweld is niet mogelijk als er geen sprake is van hogere organen die
corrigerend kunnen optreden.
Binnen een staat zijn één of meer organen bevoegd tot het uitoefenen van dwang=
bekleed met gezag. De rechtsregels die betrekking hebben op de organisatie van de
met gezag beklede organen en de grenzen van hun gezag, vormen de rechtsregels
die wij staatsrecht noemen. Staatsrecht is overal anders, product van historisch
proces en een ontwikkeling van een bepaalde cultuur.
,In de middeleeuwen was het gezag in West-Europese landen een persoonlijk recht
van de vorst. Deze vorst kon zijn gezag naar willekeur splitsen door een deel van zijn
grondgebied te verkopen of door zich er op een andere wijze van te ontdoen
gezag was overdraagbaar (erfelijk of in huwelijksgemeenschap). Ook bij hogere
ambtenaren gold dit, de adel.
16e eeuw: Met het opkomen van een klasse die de sociale bescherming van de
gezagsdragers minder nodig had – de kooplieden, de burgers – werd de
rechtvaardigheid van het gezag als persoonlijk recht in twijfel getrokken. Het gezag
werd gezien als een attribuut van een abstractie die ruimte liet voor de
samenwerking van velen bij de uitoefening ervan: de staat. Niccolò Machiavelli
geeft in ‘De Vorst’ adviezen over hoe een gezagsdrager heeft op te treden met het
doel niet om zijn persoonlijke grootheid te verhogen, maar om de eenheid van de
staat te bewerkstelligen.
In de middeleeuwen waren gezag en dwang de tegenpolen van sociale zekerheid.
Later kwam de vraag naar rechtvaardigheid bij de opkomende burgerij. Normen van
deze burgerij gingen uit van het individu als kleinste maatschappelijke eenheid. John
Locke: ‘by nature all free, equal and independent.
Individu als lid van een gemeenschap: onmisbaar gezag.
Individu als vrij (beginsel): gezag is tegenpool van vrijheid.
Om in die maatschappij van vrije individuen het gezag te kunnen aanvaarden moet
men wel als volgt redeneren: het onmisbare gezag bestaat alleen omdat de
individuen gezocht hebben naar een vorm van samenwerking die met alle
gemeenschappelijke kracht de persoon en het goed van ieder lid verdedigt en
beschermt, waardoor ieder zich weliswaar met alle andere verenigd, maar toch
alleen zichzelf gehoorzaamt en even vrij blijft als van te voren. Jean- Jacques
Rousseau: sociaal contract, verenigd gezag en vrijheid, want gezag is van vrijheid
afgeleid. Beperkingen die door het gezag aan de individuele vrijheid wordt gesteld,
kan worden aanvaard, omdat het beperkingen zijn, die bij het sociale contract de
vrije individuen zichzelf hebben opgelegd. De vrijheid van het individu door
dwanguitoefening te handhaven. Dilemma:
1. De staat mag geen rem vormen op de zelfontplooiing van de enkeling.
2. De zelfontplooiing moet aan beperkingen onderhevig zijn, voor zover zij
anderen het bestaan naar eigen aard en aanleg zou bemoeilijken.
Het probleem van het staatsrecht: vormen van gebondenheid vinden die zoveel
mogelijk vrijheid voor de enkeling overlaten.
De theorie van het sociaal contract brengt de ambivalente verhouding van de mens
tot de staat aan het licht; individuen hebben een staat nodig om hun vrijheid te
waarborgen, maar tegelijkertijd hebben zij het gevoel dat daardoor hun vrijheden
worden beperkt.
,1.2 Verdeling van de staatsmacht over verschillende
organen
Het bestuur, het gezag, de uitoefening van dwang, berusten zich op een of andere
wijze door de burgers gekozen vertegenwoordigers (representatie). Ambivalente
houding van de burgers tot de staat:
1. Burgers zijn soeverein, die de bestuurders, de uitvoerders van zijn wil, mede
aanwijst.
2. Burgers zijn onderworpen aan het mede door henzelf ingestelde gezag.
Gezagsdragers zullen – als alle mensen – menen hun taak naar beste weten en dus
goed te hebben uitgeoefend. Zij zullen kritiek als onrechtvaardig ervaren en geneigd
zijn hun macht tegen de wil van hun kiezers te continueren tot heil, naar zij menen,
van de kiezers zelf. Geen machtshebber geeft gemakkelijk macht uit handen
gevaar machtsgreep ontkomen verdeling van gezag over verschillende organen en
dus over verschillende mensen of groepen van mensen. De organen moeten
rekening houden met andere organen, ze zijn elkaar verantwoording verschuldigd.
De verschillende organen staan in evenwicht -> stabiliteit van de machtsverhouding.
Checks and balances: om een evenwicht te bereiken is er per orgaan een zekere
macht en verantwoordingsplicht.
Deze gedachte van de scheiding der machten werd door Montesquieu
geïntroduceerd. Er bestaan 3 organen in de staat: (originele idee)
1. De koning: voert de wetten uit die het parlement gemaakt heeft, uitvoerende
macht
2. Het parlement: maakt de wetten, wetgevende macht
3. De rechterlijke macht: rechters constateren of de uitvoerende macht de wet
wel in acht genomen heeft en vernietigen anders de besluiten van de
uitvoerende macht.
Met een ieder een eigen functie en een onafhankelijkheid van elkaar. Trias politica:
de burgers zijn het best gediend met de scheiding van de drie functies.
Amerika: grondwet van de VS bepaald dat uitsluitend het Congres de wetgevende
bevoegdheid heeft. De president heeft de volledige uitvoerende macht, slechts
beperkt door sommige bevoegdheden van de senaat op dit terrein. Frankrijk: na de
revolutie heeft ook Frankrijk een systeem van de machtenscheiding ingevoerd.
Huidige uitvoering in Nederland:
Uitvoerende macht: de taak van de regering is nu meer dan alleen het
uitvoeren van de wetten. Er moet ook beslist worden of er een bepaald
verdrag gesloten moet worden. Ze zijn ook een zelfstandige bevoegdheid
(moet een weg aangelegd worden door een natuurgebied of juist eromheen
over dit soort beslissingen zegt de wet bijna niks). Beide onderdelen van de
, regeringstaak – de uitvoering van wetten en de zelfstandige taak - worden in
de grondwet ‘bestuur’ genoemd.
De regering, het parlement en de rechterlijke macht opereren ook niet meer
onafhankelijk van elkaar. De vaststelling van wetten is de raak van de
regering en het parlement samen. Het bestuur is de taak van de regering,
maar de regering staat bij de uitoefening daarvan onder voortdurende
controle van het parlement.
De centrale overheid bestaat uit een samenstel van organen, die ieder slechts
een deel van de overheidstaken uitoefenen en die elkaar dus nodig hebben
om te regeren en te besturen. Zo houden die organen elkaar in evenwicht en
controleren zij – deels – ook elkaar (checks and balances in het huidige
staatsrecht).
Men geeft de centrale overheid ook niet alle bevoegdheid, maar men verleent
of laat een deel van de bevoegdheid aan regionale overheden het stelsel
van een federatieve staat of bondsstaat, waarin de deelstaten eigen
grondwettelijke gegarandeerde bevoegdheden hebben waar federale organen
niet in mogen treden, beoogt een evenwicht tussen centrale en regionale
organen (België, Zwitserland, de Duitse Bondsrepubliek en de VS). In
Nederland worden die bevoegdheden aan de provinciale of gemeentelijke
organen gegeven (stelsel van decentralisatie eenheidsstaat). Ook zijn er
landen die geen federatie zijn maar waar wel een vrij grote autonomie bestaat
van regionale delen van de staat (VK, Spanje en Italië).
1.3 De democratische rechtsstaat
Democratie= een premisse dat elke burger gelijkwaardig is en recht heeft op gelijke
invloed op het staatsbestuur.
Rechtsstaat= bescherming van de burger tegen het staatsbestuur. Een staat
waarvan de organisatie erop gericht is dat burgers beschermd zijn tegen
machtsmisbruik door de staat zelf. Het statelijk gezag dient te zijn verbonden aan het
recht, zodat de overheid alleen dat mag doen waartoe zij bevoegd is verklaar door de
wet.
In beide begrippen is de gelijkheid van burgers belangrijk. De begrippen zijn niet
statisch, ze verwijzen naar idealen die verwezenlijkt moeten worden, en zijn
inhoudelijk niet in steen gebeiteld.
Democratie:
1. Niet denkbaar zonder vrij en geheime verkiezingen, met redelijke
tussenpozen, het parlement. Burgers hebben gelijkelijk het recht om de leden
van de volksvertegenwoordiging te kiezen (actief kiesrecht) en tot lid van de
volksvertegenwoordiging gekozen te worden (passief kiesrecht).
2. Sprake van openheid voor machtswisseling: er moet niet alleen verkiezingen
zijn, het moet ook duidelijk zijn hoelang de verkozenen hun functie kunnen
Rechtsgeleerdheid 1
Gwen Roelofs
734737gr
STAATS- EN
BESTUURSRECHT
Belinfante en de Reede
Hoofdstuk 1
1.1 Benadering van het begrip staat
Staat= een organisatie die met voorrang boven andere organisaties effectief gezag
uitoefent over een gemeenschap van mensen op een bepaald grondgebied. De
gemeenschap die een staat vormt, heeft vaak ook een gemeenschappelijke cultuur.
Zij is ook een rechtsgemeenschap ==> de belangrijkste waarden zijn in door dwang
te handhaven leefregels neergelegd (kenmerkend voor een staat, geweld door
particulieren zal de staat slechts bij hoge uitzondering toelaten).
Erkenning door andere staten aanwijzing uitvoering effectief gezag, maar geen
formeel vereiste.
Toelating tot de VN versterkt de rechtspositie van het land in het internationale
verkeer.
Juristen van hun kant zullen opmerken dat er regels zijn die niet door dwang
gehandhaafd kunnen worden. Dit geldt in het bijzonder voor de staatsrechtelijke
gedragsregels voor de allerhoogste staatsorganen. Dwang in de zin van toepassing
van het staatsgeweld is niet mogelijk als er geen sprake is van hogere organen die
corrigerend kunnen optreden.
Binnen een staat zijn één of meer organen bevoegd tot het uitoefenen van dwang=
bekleed met gezag. De rechtsregels die betrekking hebben op de organisatie van de
met gezag beklede organen en de grenzen van hun gezag, vormen de rechtsregels
die wij staatsrecht noemen. Staatsrecht is overal anders, product van historisch
proces en een ontwikkeling van een bepaalde cultuur.
,In de middeleeuwen was het gezag in West-Europese landen een persoonlijk recht
van de vorst. Deze vorst kon zijn gezag naar willekeur splitsen door een deel van zijn
grondgebied te verkopen of door zich er op een andere wijze van te ontdoen
gezag was overdraagbaar (erfelijk of in huwelijksgemeenschap). Ook bij hogere
ambtenaren gold dit, de adel.
16e eeuw: Met het opkomen van een klasse die de sociale bescherming van de
gezagsdragers minder nodig had – de kooplieden, de burgers – werd de
rechtvaardigheid van het gezag als persoonlijk recht in twijfel getrokken. Het gezag
werd gezien als een attribuut van een abstractie die ruimte liet voor de
samenwerking van velen bij de uitoefening ervan: de staat. Niccolò Machiavelli
geeft in ‘De Vorst’ adviezen over hoe een gezagsdrager heeft op te treden met het
doel niet om zijn persoonlijke grootheid te verhogen, maar om de eenheid van de
staat te bewerkstelligen.
In de middeleeuwen waren gezag en dwang de tegenpolen van sociale zekerheid.
Later kwam de vraag naar rechtvaardigheid bij de opkomende burgerij. Normen van
deze burgerij gingen uit van het individu als kleinste maatschappelijke eenheid. John
Locke: ‘by nature all free, equal and independent.
Individu als lid van een gemeenschap: onmisbaar gezag.
Individu als vrij (beginsel): gezag is tegenpool van vrijheid.
Om in die maatschappij van vrije individuen het gezag te kunnen aanvaarden moet
men wel als volgt redeneren: het onmisbare gezag bestaat alleen omdat de
individuen gezocht hebben naar een vorm van samenwerking die met alle
gemeenschappelijke kracht de persoon en het goed van ieder lid verdedigt en
beschermt, waardoor ieder zich weliswaar met alle andere verenigd, maar toch
alleen zichzelf gehoorzaamt en even vrij blijft als van te voren. Jean- Jacques
Rousseau: sociaal contract, verenigd gezag en vrijheid, want gezag is van vrijheid
afgeleid. Beperkingen die door het gezag aan de individuele vrijheid wordt gesteld,
kan worden aanvaard, omdat het beperkingen zijn, die bij het sociale contract de
vrije individuen zichzelf hebben opgelegd. De vrijheid van het individu door
dwanguitoefening te handhaven. Dilemma:
1. De staat mag geen rem vormen op de zelfontplooiing van de enkeling.
2. De zelfontplooiing moet aan beperkingen onderhevig zijn, voor zover zij
anderen het bestaan naar eigen aard en aanleg zou bemoeilijken.
Het probleem van het staatsrecht: vormen van gebondenheid vinden die zoveel
mogelijk vrijheid voor de enkeling overlaten.
De theorie van het sociaal contract brengt de ambivalente verhouding van de mens
tot de staat aan het licht; individuen hebben een staat nodig om hun vrijheid te
waarborgen, maar tegelijkertijd hebben zij het gevoel dat daardoor hun vrijheden
worden beperkt.
,1.2 Verdeling van de staatsmacht over verschillende
organen
Het bestuur, het gezag, de uitoefening van dwang, berusten zich op een of andere
wijze door de burgers gekozen vertegenwoordigers (representatie). Ambivalente
houding van de burgers tot de staat:
1. Burgers zijn soeverein, die de bestuurders, de uitvoerders van zijn wil, mede
aanwijst.
2. Burgers zijn onderworpen aan het mede door henzelf ingestelde gezag.
Gezagsdragers zullen – als alle mensen – menen hun taak naar beste weten en dus
goed te hebben uitgeoefend. Zij zullen kritiek als onrechtvaardig ervaren en geneigd
zijn hun macht tegen de wil van hun kiezers te continueren tot heil, naar zij menen,
van de kiezers zelf. Geen machtshebber geeft gemakkelijk macht uit handen
gevaar machtsgreep ontkomen verdeling van gezag over verschillende organen en
dus over verschillende mensen of groepen van mensen. De organen moeten
rekening houden met andere organen, ze zijn elkaar verantwoording verschuldigd.
De verschillende organen staan in evenwicht -> stabiliteit van de machtsverhouding.
Checks and balances: om een evenwicht te bereiken is er per orgaan een zekere
macht en verantwoordingsplicht.
Deze gedachte van de scheiding der machten werd door Montesquieu
geïntroduceerd. Er bestaan 3 organen in de staat: (originele idee)
1. De koning: voert de wetten uit die het parlement gemaakt heeft, uitvoerende
macht
2. Het parlement: maakt de wetten, wetgevende macht
3. De rechterlijke macht: rechters constateren of de uitvoerende macht de wet
wel in acht genomen heeft en vernietigen anders de besluiten van de
uitvoerende macht.
Met een ieder een eigen functie en een onafhankelijkheid van elkaar. Trias politica:
de burgers zijn het best gediend met de scheiding van de drie functies.
Amerika: grondwet van de VS bepaald dat uitsluitend het Congres de wetgevende
bevoegdheid heeft. De president heeft de volledige uitvoerende macht, slechts
beperkt door sommige bevoegdheden van de senaat op dit terrein. Frankrijk: na de
revolutie heeft ook Frankrijk een systeem van de machtenscheiding ingevoerd.
Huidige uitvoering in Nederland:
Uitvoerende macht: de taak van de regering is nu meer dan alleen het
uitvoeren van de wetten. Er moet ook beslist worden of er een bepaald
verdrag gesloten moet worden. Ze zijn ook een zelfstandige bevoegdheid
(moet een weg aangelegd worden door een natuurgebied of juist eromheen
over dit soort beslissingen zegt de wet bijna niks). Beide onderdelen van de
, regeringstaak – de uitvoering van wetten en de zelfstandige taak - worden in
de grondwet ‘bestuur’ genoemd.
De regering, het parlement en de rechterlijke macht opereren ook niet meer
onafhankelijk van elkaar. De vaststelling van wetten is de raak van de
regering en het parlement samen. Het bestuur is de taak van de regering,
maar de regering staat bij de uitoefening daarvan onder voortdurende
controle van het parlement.
De centrale overheid bestaat uit een samenstel van organen, die ieder slechts
een deel van de overheidstaken uitoefenen en die elkaar dus nodig hebben
om te regeren en te besturen. Zo houden die organen elkaar in evenwicht en
controleren zij – deels – ook elkaar (checks and balances in het huidige
staatsrecht).
Men geeft de centrale overheid ook niet alle bevoegdheid, maar men verleent
of laat een deel van de bevoegdheid aan regionale overheden het stelsel
van een federatieve staat of bondsstaat, waarin de deelstaten eigen
grondwettelijke gegarandeerde bevoegdheden hebben waar federale organen
niet in mogen treden, beoogt een evenwicht tussen centrale en regionale
organen (België, Zwitserland, de Duitse Bondsrepubliek en de VS). In
Nederland worden die bevoegdheden aan de provinciale of gemeentelijke
organen gegeven (stelsel van decentralisatie eenheidsstaat). Ook zijn er
landen die geen federatie zijn maar waar wel een vrij grote autonomie bestaat
van regionale delen van de staat (VK, Spanje en Italië).
1.3 De democratische rechtsstaat
Democratie= een premisse dat elke burger gelijkwaardig is en recht heeft op gelijke
invloed op het staatsbestuur.
Rechtsstaat= bescherming van de burger tegen het staatsbestuur. Een staat
waarvan de organisatie erop gericht is dat burgers beschermd zijn tegen
machtsmisbruik door de staat zelf. Het statelijk gezag dient te zijn verbonden aan het
recht, zodat de overheid alleen dat mag doen waartoe zij bevoegd is verklaar door de
wet.
In beide begrippen is de gelijkheid van burgers belangrijk. De begrippen zijn niet
statisch, ze verwijzen naar idealen die verwezenlijkt moeten worden, en zijn
inhoudelijk niet in steen gebeiteld.
Democratie:
1. Niet denkbaar zonder vrij en geheime verkiezingen, met redelijke
tussenpozen, het parlement. Burgers hebben gelijkelijk het recht om de leden
van de volksvertegenwoordiging te kiezen (actief kiesrecht) en tot lid van de
volksvertegenwoordiging gekozen te worden (passief kiesrecht).
2. Sprake van openheid voor machtswisseling: er moet niet alleen verkiezingen
zijn, het moet ook duidelijk zijn hoelang de verkozenen hun functie kunnen