Economie
Samenvatting Landelijke Kennistoets
Economie
Voor de opleidingen:
1
,Docent algemene economie
Docent bedrijfseconomie
Op internet vond ik de volgende verdeling van vragen op de LKT op basis van
historische gegevens. Om die reden zal ik alleen domeinen 1,2,3,5,8,9&10
behandelen
Aantal Blz
Domein
vragen
Domein 1: Macro-economie 12 16% 2
Domein 2: Micro-economie 12 16% 8
Domein 3: Monetaire economie 3 4% 12
Domein 5: Internationale economische 15
3 4%
betrekkingen
Domein 6: Bedrijfsadministratie 15 20% 19
Domein 8: Management accounting 13 17,3% 24
Domein 9: Corporate finance 7 9,3% 28
Domein 10: Financial accounting 10 13,3% 32
Domein 1: Macro-economie (16%)
Economische kringloop
Wat: Een model dat laat zien hoe geld, goederen en diensten circuleren
tussen gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland.
Voorbeeld: Gezinnen leveren arbeid aan bedrijven en ontvangen
loon, waarmee ze goederen kopen.
Formules:
Productiebenadering: BBP = toegevoegde waarde bedrijven +
overheid
Inkomensbenadering: BBP = loon + rente + pacht + winst
2
, Bestedingsbenadering: BBP (Y) = C + I + O + E - M
Voorbeeld: Het BBP van Nederland stijgt als de export
toeneemt.
Nationale rekeningen
Wat: Gestandaardiseerde overzichten van alle economische transacties in
een land.
Voorbeeld: De staat van middelen en bestedingen geeft inzicht in
de economische structuur.
Economische orde
Wat: De manier waarop productie, verdeling en motivatie in een
economie zijn georganiseerd.
Voorbeeld: In een markteconomie bepaalt vraag en aanbod wat
geproduceerd wordt.
Phillipscurve
Wat: Laat de relatie zien tussen inflatie en werkloosheid op korte termijn.
Voorbeeld: Bij lage werkloosheid stijgt de inflatie, en omgekeerd.
3
, NAIRU
Wat: Het werkloosheidsniveau waarbij de inflatie stabiel blijft.
Voorbeeld: Als de werkloosheid onder de NAIRU zakt, stijgt de
inflatie.
Economische groei
Wat: Toename van de productiecapaciteit van een economie.
Voorbeeld: Door technologische innovatie stijgt de
arbeidsproductiviteit en groeit de economie.
Harrod-Domar model
Wat: Een groeimodel dat stelt dat investeringen leiden tot economische
groei.
Formule:
Economische groei = spaarquote / kapitaal-outputratio
Voorbeeld: Een hogere spaarquote leidt tot meer investeringen en
dus groei.
Conjunctuur
Wat: Schommelingen in de economische activiteit rond de trendmatige
groei.
Voorbeeld: Tijdens een hoogconjunctuur is de werkloosheid laag
en de inflatie hoog.
Stabilisatiepolitiek
Wat: Overheidsbeleid om conjunctuurschommelingen te dempen.
Voorbeeld: In een recessie verhoogt de overheid haar uitgaven
om de economie te stimuleren.
4